Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker omdat ik een prinses ben?"

„Nee, daarom niet. Maar je hebt me noodig."

In eens sloeg de fee hare witte handjes in elkaar en begon hardop te lachen; 't klonk als het zachte kirren van een tortelduif.

Maar hoe zacht en mooi dat lachen ook was, 't gaf de prinses geen prettig gevoel; waarom wist zij zelf niet.

„Waarom lacht u zoo?" vroeg ze een beetje ongeduldig.

„Om jou! om jou!" En de fee lachte nog harder. Heel haar teere lijfje schudde er van. Toen ze weer een beetje bedaard was, vervolgde ze: „Omdat jij, zoo'n klein meisje, al die groote menschen naar je hand zet. Dat is knap hoor, heel knap."

De blauwe oogen van de fee keken het prinsesje strak aan. Augusta kreeg een kleur, waarom wist ze niet, want de fee prees haar immers.

„Och", legde ze uit, ,,'t was ook allemaal zoo vervelend, de regen wou maar niet ophouden."

„Ja, dat is heel erg", zei de fee ernstig. „Jij bent toch 'n prinses."

„En de barones was zoo akelig en de gouvernante!"

„Zeker, zeker, prinses, je had groot gelijk. En ik vind 't heel flink, dat je dien grooten menschen hun zin niet gaf. Maar hoe ben je in bed gekomen?"

„Ik was in slaap gevallen op den grond."

En 't prinsesje kroop even onder de dekens.

„Dus was de slaap jou de baas? Nee, maar dat mag voortaan niet. Luister eens."

Het prinsesje kwam weer te voorschijn, en luisterde nieuwsgierig.

Sluiten