Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pas een gekregen en Ko had m nog niet gezien. > Maar 't zou wel passen, — 't moest maar.

In z'n bloes voelde hij veilig verborgen het doosje met sigaretten, 't Was een verrassing..., straks als ze buiten de stad waren.

Hij liep even midden op de straat. Wat stil! Wat fijn stil toch is zoo'n straat 's morgens vroeg. Hij kon wel even op en neer rennen. Daar ging-ie al; eerst een eind over het trottoir met de mooie vierkante platte steenen. Ha, wat suisde dat er door! Wie deed 'm wat, zoo vroeg?

Bij een zijstraat, hoep, — hoep — er af en gekeerd, bijna een nachtwacht aangereden. De man bromde niet eens, zooals hij overdag stellig gedaan zou hebben. Hij lachte en tikte even aan z'n muts. t Was bepaald een fideele vent.

Ko stond al naast z'n fiets. „Een beetje vuur

wachie?"

Hij dook z'n doos met sigaretten uit de bloes op en presenteerde wachie er van.

„Als-je blief, jongenheer. U bent er ook vlug bij. De dikke vingers grepen vergeefs over de gladde

witte rolletjes.

„Wacht effen," zei Ko. Hij nam er een paar uit en bood den wacht er eentje aan, die dadelijk in z'n wijden jaszak verdween.

„Straks probeeren, als ik geslapen heb. Ko duwde het fijne rookertje in den zwart ingebranden pijpekop en trok een leelijk gezicht,

Sluiten