Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het mulle zand stelde al te groote eischen aan de fietsers. Frits gaf het heel gauw op en Ko bracht het maar weinig verder. Ze klommen nu met hun fietsen tegen den hoogen wal langs den weg op en zagen nu in de verte de huzaren voorthobbelen over de vlakte.

„Die krijgen we niet te pakken. Maar we gaan toch die kant maar uit."

„Loopen? En waar komen we dan?"

„Daar, bij die toren, 't Is Heidorp niet, maar hier over de hei is de weg toch veel korter."

„Ja, maar... als we dan maar niet..." Frits dorst het woord „verdwalen" niet uitspreken, zoo bang was hij er voor.

„Maar die officier zei immers dat we de weg niet verder op moesten. Hier gaan we nu een andere kant uit. Dus... d'r is geen kou aan de lucht. — Misschien komt er straks nog meer volk. Fijn, die huzaren,'hé? Als ze op de straatweg waren gebleven hadden we ze wel bij kunnen houden. — Zie je ze nog?"

Frits zei van neen. Ko zette z'n fiets tegen een boompje en Frits moest die vasthouden. Toen ging hij op het zadel staan als op een uitkijktoren.

„Daar...! Daar gaan ze. Rechts af; zie nou wel! Nou gaan wij hier door de boschjes, dan komen we ze straks vast weer tegen. Ze rijden maar wat rond."

Hij sprong weer op den grond en vlug duwden

Sluiten