Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaarsrecht zag staan met de hand aan de uniformpet. Hij begreep dat al de vreemde woorden, die hij hoorde, een zeer beleefd excuus inhielden voor een begane vergissing. — En Kees nam de verontschuldiging aan, groette beleefd en met een waardigheid, zooals Ko die van zijn held verwachtte.

De officier riep z'n mannen terug en gebood ze blijkbaar in de omgeving van het kleine huisje te blijven en niet in de nabijheid van de schuur te komen.

Ko sprong op Kees toe en hing aan z'n arm, alsof hij hem al lang kende.

„Fijn gelapt, prees hij. „Nu moeten ze toch van de koe en de kippen en van alles afblijven."

„Ja, k hoop het! zei Kees. Hij bleef nog even in gedachten staan.

IX. HUZAREN EN ONWEER.

„ k Wou, dat ik jullie nou maar kon wegbrengen."

„Och, als t nou nog niet kan ... thuis verwachten ze ons nog niet..."

„Maar ik kan je van nacht niet hebben, en thuis zijn ze natuurlijk ongerust."

„Laten we maar alleen gaan," zei Frits moedig. „Voor zulke soldaten hoeven we toch niet bang te zijn."

Sluiten