Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel; die liep met Kees naar 't kleine huisje.

„Zouden we onweer krijgen?" zei Frits tegen een langen soldaat die ook het gerommel scheen te hooren. Hij was opgesprongen en liep brommend naar t hek om verder uit te kunnen zien.

„Onweer? Was dat maar onweer!" zei hij met een somber gezicht.

Ko keek ook even over den weg, maar zag niets. Het gezicht van den langen soldaat was vuurrood en z n oogen stonden dreigend toen hij weer in t gras ging liggen. Z'n makkers zwegen. -— Frits begreep er niets van, maar 't aanhoudend, vreemde rommelen, deed bij Ko een vreeselijk vermoeden opkomen. Hij verbleekte bij de gedachte: „zou het kanongebulder zijn?"

Z'n knieën knikten en 't was een oogenblik of hij geen beenen meer voelde, toen hij Kees zag aankomen en wenken om op te stappen. — Nu zouden ze dus nog verder door 't gevaarlijke land gaan, en 't nare gerommel in de verte riep hem toe: „als je 't durft!"

Frits had Ko zien aarzelen. Hij schreef het toe aan angst voor 't onweer en daar de lucht nu ook werkelijk wat betrok, leek de veronderstelling ook niet zoo vreemd meer.

„Misschien zijn we nog voor de bui binnen," zei Frits heel wijs rond kijkend.

De huzaren lachten bitter. Kees lei z'n hand op t hoofd van Frits, en zei zoo zacht en teer als hij

5

Sluiten