Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kees en zijn jongens waren niet gevaarlijk. Maar 't was goed dat hij met de papieren kon aantoonen, wie hij was. En 't briefje van den officier hief eiken twijfel aan hun onschuldige reis op. Ze konden den tocht voortzetten en waren nu spoedig dicht bij den straatweg.

De jongens waren nu vol van 't geen ze te zien zouden krijgen. De angst was geweken, sinds ze weer de mannen gezien en gesproken hadden.

Het geheimzinnige gekrioel der legermassa, het verre gedonder en 't angstig gloeien van een brandende wereld daar ginds, was vreeselijker dan de nabijheid van deze mannen. Ko moest zich telkens weer voorhouden, dat dit toch mannen van oorlog waren; dat al die geweren gebruikt zouden worden om menschen te dooden. En Kees had immers gezegd, dat een onvoorzichtigheid van de jongens zelfs gevaarlijk kon zijn voor hun leven. — En die wist het, want hij was zelf in den oorlog geweest. Maar toch — telkens weer, vergat hij het, als hij die menschen aankeek, ze hoorde praten en lachen zelfs. — Waarom had hij toch nu geen angst voor hen? — Met schaamte dacht hij aan z'n vrees van straks. Het zou hem niet weer overkomen.

Het geratel der zware wielen en 't hoefgetrappel was allengs luider geworden. Soms konden de jongens Kees niet goed verstaan, die allerlei inlichtingen gaf voor den verderen tocht. Want op den straatweg zou hij niet ver mee gaan. Dan moesten

Sluiten