Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII. WEER OP DEN STRAATWEG.

De fietsen kregen een plaatsje in den wagen en er achter aan.

Een lantaarn met een petroleumlamp er in werd meegenomen om te dienen voor 't geval de reis wat lang moest duren. De fietslantaarns werden ook bij de hand gehouden. Wat stroo en hooi diende voor ligplaats voor de jongens en het weinigje bagage van moeder en kind kon er nog gemakkelijk bij.

Nog eenmaal keek de vrouw rond voor ze instapte. Kees hielp haar voorzichtig en sloot de kap aan den kant, waar ze de ruïne passeeren moesten.

De jongens lagen al met een heerlijk veilig gevoel in 't stroo. Nu kwamen ze gemakkelijk thuis en ze begonnen er ook erg naar te verlangen, 't Was zoo'n lange dag ; ze konden 't niet begrijpen dat ze zóóveel dingen op één dag beleefd hadden.

En 't was nog geen avond. De zon was wel verdwenen. Toen ze den stal uitreden zagen ze den gouden gloed boven de verre dennenbosschen. 'tWas grootscher en mooier dan de gloed dien ze voor eenige uren meer zuidelijk gezien hadden. Toch sidderden ze nog bij de herinnering er aan. Hun gedachten stonden even stil bij de verschrikkingen van dezen dag, en vooral het mooie paard met het ledige zadel hield hen bezig. Maar al spoedig hoorden ze de wielen over den straatweg ratelen en

Sluiten