Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bezaten zij een zesde zintuig dat hen in staat stelde verder te zien dan de begrensde blik van den mensch reikt? Hadden zij een bijzonder fijnen reuk om de verborgenheden op te sporen? Had hunne natuur dan eene andere gedaante aangenomen, dank zij deze gewoonte, bij hen een tweede natuur geworden, om te leven van navorsching en door navorsching? Men zou in verzoeking gebracht

worden dat aan te nemen.

Van deze beide mannen, was de eerste een Engelschman, de , andere een Franschman, beiden lang en mager, — deze bruin als de zuidelijke bewoners van Provence, gene rosachtig als een gentleman van Lancashire. De Anglo-Normandiër, afgemeten, koud, flegmatisch weinig beweeglijk en weinig spraakzaam, scheen niet te spreken of gebaren te maken, dan wanneer eene veer losging, die bii geregelde tusschenpoozen werkte. De Gallo-Romein, levendig-, dartel, drukte zich tegelijkertijd met de lippen, oogen en handen uit twintig manieren hebbende om zijne gedachte terug te ge^ en, terwijl de Anglo-Normandiër er slechts ééne scheen te hebben, die onveranderlijk in zijn brein gestereotypeerd was.

Dat verschil in natuur zou den minst opmerkzamen mensch getroffen hebben; maar een gelaatkundige, deze twee vreemdelingen een weinig van nabij beschouwende, zou de natuurkundige • tegenstelling die hen kenmerkte, juist bepaald hebben door te zeggen: dat zoo de Franschman geheel en al „oog. de Engelschman

geheel en al „oor" was. ,

Inderdaad, was het gezichtswerktuig van den een door het gebruik tot eene bijzondere volmaaktheid gebracht. Het netvlies van zijn oog moest even gevoelig zijn als dat van die goochelaars,, die eene kaart herkennen alleen door vlug af te nemen of en 'e door de plaatsing eener valsche kaart, die door niemand anders wordt opgemerkt. De- Franschman bezat dus in hooge mate hetgeen men noemde: ,,het geheugen van het oog.

De Engelschman daarentegen, scheen in het bijzonder geschapen te zijn, om te luisteren en te hooren. Was zijn gehoorwerktuig eenmaal door den klank eener stem getroffen, dan kon hij die met meer vergeten, en na tien, ja na twintig jaar zou hij ze nog onder duizenden herkend hebben. Zijne ?oren hadden wel met het vermogen zich te bewegen, zooals die der dieren, die met groote gehoorschelpen voorzien zijn; maar, daar de geleerden bewezen hebben, dat de ooren van den mensch slechts bijna onbeweeglijk ziin zou men kunnen beweren dat die van bovengenoemden Engelschman, door ze op te zetten en ze heen en weer te wringen, de klanken zochten op te vangen op eene, zelfs voor den natuur-

vorscher bijna onmerkbare wijze. , ,

Het is noodig hier te doen opmerken, dat deze volmaaktheid ■ van gezicht en gehoor deze twee mannen m hun bedrijf uitstekend te pas kwam, want de Engelschman was correspondent van de

Sluiten