Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tarentass, het luide hijgen der buiten adem zijnde paarden en het slaan hunner hoefijzers op de keien, waaruit van tijd tot tijd vonken vlogen.

Michael Strogoff lichtte de leeren gordijnen op en bleef eenigen tijd voorovergebogen naar buiten kijken en de veranderingen in de lucht waarnemen. Tegen elf uur begon het te weerlichten, en hoe langer hoé erger. Van tijd tot tijd scheen het geratel van den donder zich met het holle gerol van het voertuig te vermengen, wanneer het ovet een brug van ruwe planken ging, die over eene of andere kloof geslagen was, en met het geschreeuw van den postiljon, die zijne paarden aanzette, die door de zwaarte van de lucht meer dan door de steilte van den weg vermoeid waren.

„Hoe laat zullen wij op den top van den bergpas aankomen?" vroeg Michael Strogoff aan den iemschik.

„Om éen uur in den morgen.... indien wij aankomen!" antwoordde deze het hoofd schuddende.

„Zeg eens, vriend, het is toch niet voor den eersten keer dat je een onweer in het gebergte bijwoont?"

„Neen, geve God dat dit niet mijn laatste zij!"

„Zijt ge dan bang?"

„Ik ben niet bang, maar ik zeg 't nog eens, ge hebt verkeerd gedaan van te vertrekken."

„Ik zou grooter ongelijk hebben gehad zoo ik gebleven ware."

„Vooruit jongens!" riep de iemschik zijn paarden toe als een man die er niet was om te redetwisten, maar om te gehoorzamen.

Op dit oogenblik had er in het luchtruim eene trilling plaats, alsof ze voortgebracht ware door een scherp oorverdoovend gefluit dat den dampkring doorkliefde. Op het verblindend licht van den bliksem volgde opeens een verschrikkelijke donderslag, en de wind barstte woedend los. Eenige doffe geluiden duidden aan, dat eenige oude en slecht gewortelde boomen de eerste aanvallen van de hevige windvlaag niet hadden kunnen weerstaan. Een aantal verbrijzelde stammen vlogen over den weg, na met geweld op de rotsen neergekomen te zijn, en stortten links in den afgrond, op twee honderd passen van de tarentass.

De paarden waren op eens blijven stilstaan.

„Vooruit dan, kereltjes," schreeuwde de iemschik, het geklap zijner zweep bij het getrommel van den donder voegende.

Michael Strogoff vatte de hand van Nadia.

„Slaapt ge, zuster?" vroeg hij aan haar.

„Neen, broeder."

„Houd u tot alles gereed. Daar is onweer."

„Ik ben gereed."

Michael had slechts den tijd de leeren gordijnen van de tarentass dicht te doen.

De onweersbui kwam met de snelheid van den bliksem opzetten

Sluiten