Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stichten tot uitbreiding en volmaking der kunst om de vernielendst mogelijke kogels of andere dergelijke voorwerpen op den grootstmogelijken afstand weg te schieten.

De zaak vond bijval, en wel op echte Amerikaansche wijze. Als namelijk een burger der Vereenigde Staten een denkbeeld in de hersenen voelt opkomen, zoekt hij een medeburger die er mee instemt. Er zijn dus aanstonds een voorzitter en een secretaris. Komt er een derde bij, dan is ook de tweede voorzitter, zegge de vice-president, gevonden. Een vergadering wordt belegd, tal van leden sluiten zich aan, gewone, buitengewone, werkende, correspondeerende .... de club is in 't leven.

Aldus ook de Gun-club. Drie maanden na haar oprichting telde zij 1833 werkende en 30565 correspondeerende leden.

Tot het lidmaatschap werd vereischt, dat men een nieuwe soort van werpgeschut uitgedacht of minstens een bestaande soort verbeterd had; zoo geen kanon, dan toch een vuurwapen. De leden die aan revolvers knutselden, waren echter, schoon aan de letter van het reglement voldoende, niet machtig in tel.

»Wie eigenlijk een groot man onder ons wil zijn," zoo sprak eens een der kundigste leden van de club, »moet eenvoudig worden berekend naar den regel, dat zijn verdiensten evenredig zijn aan het kaliber van zijn stuk, en aan het vierkant van de afstanden op welke het schiet." De man dacht aan de wet van Newton betreffende de algemeene zwaarte.

Toen op een goeden dag de vrede tusschen Noord en Zuid geteekend was door personen die den oorlog overleefd hadden, taanden wel de practische inzichten der Gun-club, maar onverflauwd bleef de liefhebberij in plannen en berekeningen over werpgeschut en projectielen.

»'t Is toch beroerd," zei op zekeren avond de dappere Tom Hunter, terwijl zijn uitgestoken houten beenen bijna vlam vatten in het kolenvuur, »niets te doen, niets te hopen! Waar is de tijd, toen het kanongebulder voor morgenwekker diende ?"

»Voorbij is die schoone tijd!" was de uitroep van den vroolijken Bilsby, die met zijn armen zou gezwaaid hebben, als hij ze nog gehad had. «Dat was me een tijdje! Men verzon een nieuw mortier, en zoodra was het niet gegoten of 't was terstond ook afgeschoten. Maar nu? Wat schieten zij weg? Bommen? — Ja wel — katoenballen ?

»Gelijk heb je!" riep kolonel Blomsberry uit. »Toen was het leven, nu is het dood zijn, hier te Baltimore," — want daar was de Gun-club gevestigd.

»En dan geen vooruitzicht," voegde de stoutmoedige Maston er bij, terwijl hij met zijn ijzeren haakje aan zijn getha-pertja schedel krabde. »Geen wolkje aan den hemel! En toch heb ik, ik

Sluiten