Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blindenden glans schitteren. De gasbek dien hij aanstak, gaf een vlam als electrisch licht.

Daar kwam iets op in het brein van Nicholl. Dat sterke licht, die zonderlinge uitwerkselen op hem en de beide anderen — hij begreep alles.

»De zuurstof!" riep hij uit.

Hij bekeek den luchttoestel; terstond bemerkte hij, dat de kraan een feilen stroom zuurstof liet ontsnappen. De luchtsoort, onbemerkbaar voor gezicht, smaak en reuk, onontbeerlijk voor het leven, maar gevaarlijk in onvermengden toestand, was door een achteloosheid van Michel Ardan losgelaten — hij had verzuimd de kraan toe te draaien.

Nicholl sloot haar oogenblikkelijk af en voorkwam nog tijdig den anders onvermijdelijken dood van hem en zijn vrienden.

Een uur later was de ademhaling van lieverlede tot haar gewonen toestand teruggekeerd; de bezwijmden kwamen bij, maar zij konden den roes niet, als dien van een stevig glas, uitslapen.

Toen Michel Ardan bekend werd met de schuld die hij aan het voorgevallene had, geraakte hij in 't geheel niet van zijn stuk. Deze onverwachte roes brak de eentonigheid der reis. Terwijl hij werkte, waren vrij wat dwaasheden onder zijn invloed uitgekraamd, maar even spoedig vergeten als gesproken.

»Bovendien," voegde de vroolijke Franschman er bij, »ik heb geen spijt, dat ik eens van die koppige lucht geproefd heb. Weet gij, vrienden, als er eens een zwaar werk te verrichten was, en men had dan zuurstofkamertjes, waar de vermoeide werklieden eenige uren konden gaan opleven! Denkt u eens vereenigingen, waar de lucht verzadigd is van deze bezielende vloeistof; tooneelen, waar de bestuurders haar op groote schaal nahouden, — welk een vuur! welk een geestdrift! En als men er dan eens een geheel volk volop van geven kon, wat zou alles vlotten! Van een uitgeputte natie zou men misschien een krachtig volk maken. Ik ken ten minste in ons verouderd Europa meer dan één staat, die van het openstaan der zuurstofkraan bekomen zou!"

Michel Ardan sprak met zooveel vuur, dat de kraan nog wel te veel scheen open te staan. Maar Barbicane deed met één woord zijn geestdrift bekoelen. »Alles goed en wel, mijn vriend," sprak de voorzitter der Gun-club, »maar waar komen die haan en die kippen vandaan, die medegedaan hebben?"

»Die haan — die kippen?"

»Ja."

Dat zij er waren, leed geen twijfel, want zij liepen nog te kakelen en te scharrelen.

»De stommelingen!" riep Michel Ardan; »de zuurstof heeft hunden kop op hol gebracht."

Sluiten