Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuinsche richting gaf aan Michel Ardan eenige hoop om tegen het een of ander punt der Maan te stooten. Het wilde er bij hem maar niet in, dat hij er geen voet zetten zou, en dit zei hij gedurig. Maar Barbicane, die den waren staat van zaken beter doorzag, hield niet op hem met onverbiddelijke juistheid te betoogen, dat hij daarop niet behoefde te rekenen, daar de middelpuntzoekende kracht hen wel naar de Maan trok, maar de middelpuntvliedende kracht hen beletten zou op de Maan neder te komen.

Het gedeelte der maansoppervlakte waarheen zich het projectiel bewoog, was het noordelijk halfrond, op de maankaarten de benedenhelft; want de kaarten zijn doorgaans vervaardigd naar de gedaante der Maan in astronomische kijkers, die gelijk men weet de voorwerpen omkeeren. Dit is ook het geval met de groote maankaart van Beer en Madler, die door Barbicane was medegenomen. Dat noordelijk halfrond bestaat uit uitgestrekte vlakten, hier en daar met afzonderlijk staande bergen.

Te middernacht was het volle Maan. Juist op dat oogenbhk hadden de reizigers moeten aanlanden, indien de vermaledijde vuurkogel hen niet van de goede richting hadden afgetrokken. De Maan beantwoordde dus volkomen aan de berekeningen der sterrenwacht te Cambridge. Zij bevond zich juist in haar perigeüm en m het toppunt van 28° noorderbreedte. Indien een waarnemer op den bodem der Columbiad op dat oogenblik opwaarts keek, zou hij juist boven den mond van het stuk de volle maanschijf hebben

zien staan. , _

Het is overbodig te zeggen, dat in dien nacht van 5 op 0 December geen van de drie een oog sloot. Al hun gedachten vereenigden zich in die ééne: zien! Zij waren immers de vertegenwoordigers der Aarde, de verleden en tegenwoordige menschheid! 't Was immers door hun oogen dat die menschheid den blik liet weiden over gindsche maanstreken. V» as dat geen ontroerend denkbeeld? ,

Hunne waarnemingen, met het gewapend oog gedaan, werden met

de kaarten vergeleken.

De eerste waarnemer der Maan was Galileï. Zijn gebrekkige kijker vergrootte slechts 30-maal. Toch was hij de eerste, die bergen zag in die vlekken, welke op de Maan gezaaid zijn .gelijk de oogen in den staart eener pauw." Zelfs mat hij van sommigen de hoogte, hij bepaalde die op ruim V10 van den straal der Maan, 8,800 meter. Galileï vervaardigde echter geen maankaarten.

Eenige jaren later leefde te Dantzig een sterrenkundige, met name Aevelius, die door waarnemingen, welke alleen bij het eerste en laatste kwartier nauwkeurig konden zijn, die door Galileï bepaalde hoogte tot V,6 van den straal der Maan terug bracht. Deze geleerde gaf de eerste maankaarten. De heldere, ronde, vlekken zijn

Sluiten