Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE REIS NAAR DE MAAN.

zame wijkplaats, ver van al de ellenden van ons kortstondig bestaan! Hoe begeerlijk ware dat plekje voor menschenhaters, voor' allen die een walg hebben van de samenleving!"

»En voor ons te klein!" was Barbicane's opinie.

DRIEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

MAANBEWONERS ?

Intusschen was het projectiel voorbij den Tycho gedreven. Barbicane en zijn twee vrienden volgden met de grootstmogelijke nauwkeurigheid de schitterende lichtstrepen, die van den vermaarden berg naar alle zijden uitgaan.

»Wat waren ze? Welke werking had die strepen veroorzaakt? Barbicane vroeg dit terecht.

Het schenen groeven te wezen, met opstaande randen; sommigen hadden een breedte van 20, anderen van 50 kilometer. Deze blinkende kanalen liepen hier en daar tot honderden mijlen ver; zoodat ze, vooral naar het oosten, noord-oosten en noorden, de helft van het zuiderhalfrond bedekten. Die voorwerpen zijn zeer raadselachtig. Herschel hield ze voor lava, door de kraters opgeworpen en door de koude verstijfd, maar deze meening heeft weinig bijval gevonden; andere sterrenkundigen voor reeksen van zwerfblokken, aldus gestrooid tijdens het ontstaan van den Tycho.

»En waarom zou dat niet zoo zijn?" vroeg Nicholl.

»Omdat het dan onverklaarbaar is, dat die lichtstrepen rechtlijnig zijn. Bovendien kunnen wij ons niet voorstellen, dat vulkanen daartoe kracht genoeg zouden hebben."

»Ik vind zooveel moeielijkheid niet in de verklaring van het verschijnsel," merkte Michel Ardan aan.

»Zoo?" vroeg Barbicane.

»'t Zijn niets dan scheuren," meende de Franschman, »zooals in een glasruit ontstaan als men er met de hand een steentje door werpt."

»En welke hand zou dat steentje geworpen hebben ?" vroeg Barbicane.

Sluiten