Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De adelborst nam voor allen het woord en riep: «Commandant, zij zijn het; zij zijn teruggekomen!"

ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

MASTON TEN TOONEELE.

Er was een groote beweging aan boord van de Susquehanna. Officieren en matrozen vergaten het vreeslijk gevaar dat zij hadden geloopen, verbrijzeld en naar den zeebodem medegesleurd te worden. Zij dachten alleen aan het einde der hachelijke reis. Zoo kostte dan de stoutmoedige onderneming van ouden en lateren tijd het leven aan de waaghalzen die haar hadden beproefd.

»Zij zijn het; zij zijn terug!" had de jonge adelborst uitgeroepen, en allen hadden hem begrepen. Doch aangaande het lot der reizigers in het projectiel waren de gevoelens verdeeld.

»Zij zijn dood," meende de een.

»Zij leven," zei de ander. «Het water is diep, daardoor is hun val geheel gebroken."

«Maar zij hebben geen lucht gehad," merkte een derde aan; «zij hebben moeten stikken."

«Verbrand!" liet zich een ander hooren. «Het projectiel was niets dan een gloeiende klomp, toen het zoo door de lucht schoot."

«Dat doet er niet toe," was de algemeene stem; dood of levend, wij moeten hen zien op te halen."

Inmiddels had kapitein Blomsberry zijn officieren om zich verzameld en «onder hun goedkeuring" hield hij scheepsraad. Er moest oogenblikkelijk gehandeld worden. Het noodigste was, het projectiel op te visschen — iets, dat wel zeer moeielijk, maar toch niet geheel onmogelijk was. Maar de korvet miste de noodige werktuigen, zoodat men besloot, naar de naaste haven te stoomen en daar de Gun-club kennis te geven van het neerkomen van het projectiel.

Dit besluit werd met eenparigheid van stemmen genomen; het kwam alleen aan op de keuze der haven. De naastbijgelegen kust bezat geene op die 270 breedte. Het dichtste waren zij nog bij

Sluiten