Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Wij gaan weer hakken in het woud; —

en 't zestal riep: „hoezee!"

Maar ons Klein-duimpje zweeg, hij was

ook in 't geheel niet blij

Dat men naar 't bosch trok; — 't kereltje

bleef de achterste in de rij;

Zijn beentjes waren ook zoo kort!

men lette op hem haast niet,

Noch zag dat hij zoo nu en dan

een steentje vallen liet.

In 't midden van het dichte woud

gekomen nam men rust,

En zei de Vader: „kindren, speelt

nu hier naar hartelust;

„Ik ga met moeder verderop

houthakken; — blijft dus hier;

„Wij komen spoedig weer terug,

hebt nu maar veel pleizier."

En de arme man en de arme vrouw

zij stapten verder voort,

Maar spraken op den langen weg

van droefheid haast geen woord.

De kindren speelden wel in 't eerst

zoo'n beetje met elkaar,

Doch vonden 't toch al ras in t bosch

zoo eenzaam en zoo naar.

Alleen het schril gekras der raaf

verbrak de stilte wat,

En 't windje, dat er lispelde

in eik- en varenblad.

Maar somber was 't er niettemin,

en 't maakte ons zevental

Zoo angstig, dat het huiverde,

en rondgluurde overal.

Sluiten