Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vermoordde hij zijn dochtertjes —

juist brak de morgen aan —

De reus bemerkte plotseling

hoe dwaas hij had gedaan. Hij brulde, en keek in 't andre bed:

't was leeg; — zijn arme vrouw Kwam toeloopen op 't geschreeuw,

doch — 't was vergecfsch berouw. „Ze zijn gevlucht die jongens, ha!

maar 't zal hun slecht vergaan! „Geef gauw mijn laarzen, spoedig, vrouw!

van zeven mijlen aan."

Toen stapte hij gelijk de wind

zoo vlug op éénen draf,

En legde een weg, bij eiken tred,

van zeven mijlen af. —

,,'k Hoor — sprak Klein-duimpjcn, — in de lucht

zoo'n wonderbaar gegons;

,,Dat's wis en vast de Wildeman,

die ruikt en zoekt naar ons. „Verbergt je ras in 't kreupelhout

en in die dorenheg; -

„Ik zelf zoek gauw een mollegat

en schuil er diep in weg." — En nauwlijks was dat plan volvoerd,

daar kwam de Wildeman; Wat had hij hard geloopen, pfoe!

hij hijgde en zweette ervan, ,,'k Moet even rusten — sprak de reus;

dit plekje is naar mijn zin;" —

En hij ging zitten op een steen,

en sliep al spoedig in. Klein-duimpje keek eens uit het gat:

hij slaapt, — zoo dacht de guit,

Sluiten