Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar binnen. — „Zet, mijn kind! de wafels

en 't potje maar op tafel neer."

Dit zeggend trok de wolf de dekens

hoog op, — men zag hem haast niet meer.

„Kom nu een beetje naast mij liggen,

Roodkapje! 't is van daag zoo koud;

„Ik kan daar niet heel goed meer tegen,

want Grootmoê, zie je, is al zoo oud."

Roodkapje trok toen uit haar schoentjes,

klom in de bedstee vlug en ras ....

Maar o! Wat werd zij erg verwonderd

dat Grootmoê zoo veranderd was!

Ze zei: „o Grootmoelief! wat hebt ge

groote armen!" — „Wel dat is, mijn schat!

„Om des te beter je te omhelzen —

Roodkapjelief! begrijp je dat?" —

„Maar, Grootmoêlief! maar o, wat hebt ge

toch groote beenen !" — „Wel, mijn schat!

„Dat is om beter nog te loopen —

Roodkapjelief! begrijp je dat?" —

„Maar, Grootmoêlief! maar o, wat hebt ge

groote oogen!" — „Wel dat is, mijn schat!

„Om beter nog te kunnen kijken —

Roodkapjelief! begrijp je dat?" —

„Maar, Grootmoêlief, maar o, wat hebt ge

een groote tanden!" — „Ha, dat is

„Om je op te eten!" — riep de valschaard;

en of hij in de wildernis

Een dwalend schaapje hoorde blaten,

Zoo schudde hij zijn ruigen kop, —

Toen wierp de booze wolf zich eensklaps.

op 't arm Roodkapje — en at haar op.

Sluiten