Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel beefde zij bij 't steken

van 't sleuteltje in het slot,

En dacht ze op eens aan Blauwbaard,

en aan zijn streng verbod,

En wilde wederkeeren,

maar ... „Och, — zoo zei ze; — ik kan

„Eens eventjes wel kijken,

daar merkt hij toch niets van."

Knars! — en het slot sprong open;

nu keek zij 't kamertje in;

Maar 't was zoo donker, dat ze

niets zien kon in 't begin.

Doch toen* ze een poosje tuurde,

toen werd het langzaam licht...

O vreeslijk! hoe zij schrikte

van 't ijselijk gezicht!

Ze zag daar Blauwbaards vrouwen,

sinds vele jaren dood . ..

Dat ze ook zoo ongeduldig

het kabinetje ontsloot! —

Zij huiverde en verbleekte,

N en trilde, waar zij stond,

En wijl haar hand zoo beefde,

viel 't sleuteltje op den grond.

Zij raapte 't op, en zag er

een kleine bloedvlek aan.

„Dat's minder", — dacht ze, — „spoedig

is die er afgedaan."

Gauw sloot zij 't kabinetje,

en ging zoo snel zij kon

Den trap op naar haar kamer,

en bevende begon

Zij 't sleuteltje te schuren;

maar 't hielp haar niet met al;

Sluiten