Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spoedig bij een wei gekomen,

waar de maaiers 't hooge gras

Met hun zeisen nedervelden.

„Goede vrienden!" — sprak de kat,

„Als gij strakjes aan den Koning

op zijn vraag niet antwoordt, dat

„Den Markies van Carabas dees

wei behoort; dan: op mijn eer!

„Laat hij u in stukjes hakken,

denkt daaraan — ik zeg niets meer.'

Wat de maaiers danig schrikten

bij die woorden van de kat!

't Was dan ook geen wonder dat men

vrees voor zoon bedreiging had.

Toen de Koning kort daarna dus

vroeg: van wien de weide was?

Riepen luidkeels al de maaiers:

„Van Markies van Carabas!" —

»>Zoo, Markies! dat is uitmuntend

weiland, hoor!" hernam de Vorst; Doch de jonkman zweeg, omdat hij

toch zoo grof niet jokken dorst.

Ondertusschen was ons poesje

doorgestapt en, na een poos,

Bij een korenveld gekomen,

waar zij weder, even loos,

Met de maaiers wist te praten,

„Vrienden!" — zei ook thans de kat,

„Als je strakjes aan den Koning

op zijn vraag niet antwoordt, dat

„Den Markies van Carabas dit

graan behoort, dan, op mijn eer!

„Laat hij u in stukjes hakken,

denk daaraan — ik zeg niets meer."

Sluiten