Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen die nu in orde was,

brak eindelijk de feestdag aan. — Nu kwam het fraaiste rijtuig voor,

de trotsche zusters reden heen,

En Asschepoester, 't arme kind,

bleef in de keuken weer alleen.

Doch toen ze daar nu eenzaam zat,

en treurig 't hoofdje hangen liet,

Vroeg onverwachts een zachte stem:

,,Mijn Liefje heb je zoo'n verdriet?" —

Verbaasd keek Asschepoester op,

en ja: het was haar oude Peet,

De Tooverfee, die tot haar sprak,

en innig deelnam in haar leed.

„Wel, arm schaap!" — zoo zei de Fee,

■41

die — schoon ze ook grijzen haren had, En maar een schamel kleedje droeg —

toch o zoo'n goedig hart bezat, —

„Vertel mij eens waarom je weent;

was je ook zoo graag naar 't bal gegaan ?"

„Och ja," zei Asschepoestertje. —

Welnu," ving de oude Peet weer aan, „Mijn kind, dat is zoo moeilijk niet,

wees maar getroost, geef me eerst een zoen,

„En ga nu even naar den tuin,

en haal me haastig een pompoen."

Dat deed onze Asschepoester snel;

De Fee nam nu haar tooverstaf,

En toen zij daarmeê de pompoen

maar eventjes een tikje gaf,

Was in een gouden staatsiekoets

de vrucht veranderd, d' eigen stond. —

„Kijk nu eens in de muizenval,"

— zoo klonk het weer uit Grootjes mond.

Sluiten