Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schoone prinses liep op zekeren dag eens

te wandlen in 't bosch; — ach, ze voelde zoon leed! —

Toen haar een vreemd mannetje vriendelijk aansprak,

in zijde en fluweel als een prinsje gekleed.

Riket met de Kuif was dat dwergje, volgroeid nu

tot jonkman, wel schrander, maar klein en erg krom;

Hij reisde in den vreemde om een vrouwtje te zoeken,

en zag ons prinsesje zoo mooi .... en zoo dom.

O, lieve prinses! 'k ben verrukt door uw schoonheid;

doch hoe zoo bedrukt?" — vroeg Riket met de Kuif.

„Wat zal ik je zeggen!" - Sprak 't mooie prinsesje; -

„ik ben, kleine Heer! een onnoozele duif." —

O, dat is geen zaak om bedroefd om te wezen.

„Zoo, vind je dat, dwergje? — Nu ik vind dat wel. —

„Maar, beste prinses! Wie zoo schoon is als gij zijt ....

„Och, zwijg toch! — ik krijg daarvan kippetjesvel." —

,,'k Begrijp er heusch niets van; — hoe kan dat zoo komen?

„Wel, luister: 'k ben mooi ja, doch vreeselijk dom." —

„Och, kom, als dat waar was, dan zoudt ge 't wel zwijgen;

Prinses, dat u dom zijt, dat zeg je er maar om.

„Rn toch is het waar; gaf 't prinsesje ten antwoord; —

„'k ben dom als een gansje;" en toen weende zij weer.

„Stil, stil!" - zei Riket; — „als je met me wilt trouwen,

dan krijg je verstand, ieder oogenblik meer. —

„O, dan wil ik gaarne heel gauw met je trouwen;

maar" — sprak zij — ,,'k ben nu al, geloof k, niet meer dom,

„Kom over een jaar, en dan word ik uw vrouwtje."

„Heel goed," — zei Riket, — ,,'k kom dan stellig weerom." —

Het mooie prinsesje kwam thuis, en haar ouders

ze stonden verbaasd van hun dochters verstand,

Zij was nu zoo wijs als haar leelijke zuster,

en ras werd die mare verbreid door het land.

En menige prins uit den omtrek verzocht haai

ten huwlijk, op wandelrit, bal of partij;

Sluiten