Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Was dat in de allermooiste stalling —

verbeeld je! — een grauwe Langoor stond,

Een Ezel met tuig en dekkleed,

zoo kostbaar als men nergens vond.

Doch 't wonderbare dier verdiende

de onderscheiding wel, want zoo

Was hij geschapen, dat er 's morgens

een stapel goud lag op zijn stroo.

En juichend raapten dan de stalknechts

de gouden munten bij elkaar,

En vulden daar de schatkist mede,

en dat ging zoo maar jaar aan jaar.

Er kon dus aan het hof des konings

wel altijd vreugde en rijkdom zijn;

Maar daarom bleef het vorstlijk echtpaar

niet steeds bevrijd van ramp en pijn.

De koningin, zoo schoon en deugdzaam,

werd plotsling ernstig ongesteld;

De dagen, die zij nog kon leven,

die waren, ach! voor goed geteld.

Geen dokter wist meer raad te geven;

de ontsteltenis was algemeen,

En gansch ontroostbaar was de koning,

en liet de zieke nooit alleen.

Zijn eigen leven had hij gaarne

gegeven voor zijn dierbre vrouw,

Doch vruchtloos waren zijn beloften

zijn tranen en zijn diepe rouw.

Wel liet hij andre dokters komen,

maar wat men ook beproefde of deed:

De koningin, bemind door allen,

door elk geprezen, overleed.

Toen heerschte er diepe smart en droefheid

bij 't gansche volk, door heel het land;

Sluiten