Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ach, die arme, brave koning

leek als beroofd van zijn verstand;

Hij klaagde, dat er nu op aarde

voor hem geen heil of vreugd meer was;

Gelukkig dat de tijd ten leste

zijn smart een weinigje genas.

En, na zoowat een jaar toen kwamen

de groote heeren van den staat Den koning smeeken, dat hij eindlijk

zijn zwart en somber rouwgewaad

Afleggen zou; doch onze koning

» had in een feestkleed niets geen zin,

Want altijd was hij nog weemoedig

om 't sterven van zijn gemalin.

„Neen, Sire!" zeiden toen de heeren,

„zoo kan het langer toch niet gaan, „Gij zult van droefheid ook nog sterven,

en zeg: wat moet er dan gedaan?

„Hadt gij een zoon, dan was 't wat anders,

die kon u volgen op den troon;

„Maar zie, gij hebt alleen een dochter —

ach, Sire? hadt gij toch een zoon!"

En even als de heeren spraken

zoo werd ook door het volk gezegd: „Had onze vorst toch maar een kroonprins,

dan kwam wis alles nog terecht." De koning, die wel 't pruttien hoorde,

en merkte hoe al meer en meer Zijn volk onrustig werd en morde,

zat treurig in de hofzaal neer,

En peinsde: „Wie kan raad mij geven?"

en toen bedacht hij, dat in 't woud In een spelonk een toovnaar woonde,

met zilvren baard, en schriklijk oud.

17

Sluiten