Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den tuin door bij haars vaders stallen.

Daar stond een wagentje gereed,

Bespannen met een wollig schaapje,

en blank, als ik geen tweede weet.

De kroonprinses besteeg nu haastig

haar karretje en reed daadlijk heen,

De breede laan af naar de weiden,

waarop de maan zoo vriendelijk scheen.

Haar schaap, dat overal den weg wist,

bracht haar nu zonder ongeval

Naar 't schoon verblijf der Fee, gelegen

in 't dicht begroeid seringendal.

De Fee, die haar van ver zag naadren,

ging vriendelijk haar tegemoet,

En kuste haar, en zei: ,,Ik weet al

welk voorval u hier komen doet.

„Mijn petekind! wees maar niet treurig,

geen mensch kan tegen uwen wil

„U dwingen, als ge trouw mijn raad volgt;

houd je dus verder kalm en stil.

,,'t Zou wezenlijk wel jammer wezen

als gij een prins, zoo boos en kwaad,

„Moest trouwen! — Neen, 't zal niet gebeuren;

maar volg, mijn kind! dan stipt mijn raad.

„Zeg aan uw vader, dat ge in alles

u naar zijn zin gedragen zult,

„Wanneer hij dan van zijn kant ook maar

dees éénen wensch van u vervult,

„Door naamlijk u een kleed te schenken

met 's hemels kleuren, blauw en rood;

„Onmooglijk kan hij u dat geven,

al was zijn macht nog eens zoo groot." —

De kroonprinses omhelsde teeder

de Fee, haar troosteres in 't leed,

Sluiten