Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 12.

Bij Hoofdstuk V. — Dit hoofdstuk is te splitsen in twee afdeelingen A en B, waarvan A over den invloed, der Nederlandsche wet ov de rechtsmacht van den vreemden rechter (InL p. 12) en B over den invloed der vreemde wet op cle rechtsmacht van den Nederlanclschen rechter (hieronder).

P. 12 reg. 10. —Toevoeging: Hof Amsterdam 2 Dec. 1918 W. 10433, N. J. 1919 p. 403, W. P. N. R. 2-584 en, met het oog op art. 126/ Rv. H. R. 12 Maart 1896 W. 6782, R.spr. 172 § 39, v. d. Hon. B. R. 62 p. 109, P. v. J. 1896 no. 44, W. v. N. R. 1410: de Nederlandsche wet kan alleen den Nederlandschen rechter bevoegd verklaren. Zoo ook (met het oog op art. 126m Rv.) Rb. Haarlem 2 Jan. 1917 W. P. N. R. 2470; Rb. 's-Hertogenbosch 4 April 1924 W. 11291, N. J. 1925 p. 14. Naar aanleiding van art. 266 B. W., H. R. 28 Mei 1897 W. 6980, R.spr. 176 § 23, v. d. Hon. B. R. 63 p. 147, P. v. J. 1897 no. 56 en het arrest a quo, Hof Leeuwarden 14 Okt. 1896 W. 6874, P. v. J. 1. 1. Yoorts Hof 's-Gravenhage 26 Juni 1912 W. 9393; Rb. Rotterdam 7 Febr. 1921 W. 10748, N. J. 1921 p. 856. Naar aanleiding van art. 477 Rv. Hof Zuid-Holland 16 Jan. 1860 W. 2181. Vgl. Kosters, Het internat, burgerlijk recht (1917) p. 589 en, naar aanleiding van art. 314 Rv., G. W. B(annier) noot in W. 11906 op Rb. Groningen 18 Mei 1928. — In anderen geest Ktg. II Amsterdam 16 Aug.'1906 W. 8458, met het oog op art. 1 van het voogdij verdrag van 1902, welks strekking de Kantonrechter echter miskende. Zijn vonnis is dan ook vernietigd door Rb. Amsterdam 22 Okt. 1906 W. 8458. Juist was de overweging der Rechtbank dat het verdrag niet strekt om door de Nederlandsche wet aan een buitenlandschen rechter een rechtsmacht te doen opdragen, die hij naar eigen wet niet zou hebben. — Neemt onze wet de competentiebepaling van een verdrag over, dan steunt toch de rechtsmacht van den vreemden rechter niet op onze wet, maar hetzij enkel op het verdrag, hetzij mede op zijn eigen wet.

Sluiten