Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 13.

zoodat art. 157 Rv. toepasselijk was. Neemt men aan dat het gezag van gewijsde der incompetentverklaring van den Kantonrechter niet noodzakelijk meebracht dat de Rechtbank zich bevoegd moest verklaren, dan zou, als deze zich ook onbevoegd achtte, in dit geval een jurisdiktiegeschil ontstaan, niet voorzien in art. 65 R. O.; zie no. 3 op dat artikel (met Suppl.). — Met het gezag van gewijsde der beslissingen over de competentie strijdt het niet bij jurisdiktiegeschil eene van die beslissingen ter zijde te stellen, maar daartoe is een wetsbepaling noodig, die de berechting van het jurisdiktiegeschil voorschrijft.

Bij Inl. p. 13 no. 2 behoort het slot van no. 1 (zie boven bij Inl. p. 12, no. 1, al. 2): — In de litteratuur vgl. nog diss. Kuhn (Inl. p. 158 geciteerd) p. 123.

2 A. Hof 's-Hertogenbosch 31 Okt. 1911 W. 9307 meende dat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis der Rechtbank, waarbij deze (naar aanleiding van art. 262 B. W.) een exceptie van onbevoegdheid had verworpen, het Hof, in appèl van een later vonnis dier Rechtbank, in dezelfde zaak gewezen, haar eerste beslissing niet had te beoordeelen, hoewel het een vraag van openbare orde betreft. Genoemd arrest is gecasseerd door H. R. 14 Juni 1912 W. 9361 p. 1—2, R.spr. 22 § 25, W. P. N. R. 2236, op grond van art. 14 A. B. en art. 156 Rv. Dit arrest van 1912 steunde naar het schijnt op het incidenteele karakter van het vonnis der Rechtbank, en komt hierop neer dat de beslissing der Rechtbank over haar competentie in diezelfde procedure voor nader onderzoek vatbaar was. Wegens de openbare orde had het vonnis geen gezag van gewijsde ten opzichte der competentievraag vóórdat de hoofdzaak uit was, omdat, al kon partij niet van het vonnis appelleeren, het Hof in appèl die competentie-vraag toch had te onderzoeken.

P. 13, no. 3. — Anders implicite Rb. 's-Hertogenbosch 1 April 1910 W. 9070.

P. 13, no. 4. — Toevoeging: zie voorts C. W. Maris tot Sande-

Sluiten