Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 22.

hebben zeker geen gezag van gewijsde; zie ten opzichte van de weigering van een verlof tot gratis procedeeren, Hoogger. Hof N.-Indië 5 Juni 1913 Het Recht in N.-Indiê 100 p. 306.

Bij Hoofdstuk VII (Gevolgen der incompetentie, en van vernietiging eener incompetentverklaring).

P. 22, no. 1. — Art. 153 Sv. 1886, nu art. 279. — Als de in no. 1 vermelde arresten nog H. R. 26 Juni 1922 W. 10946, N. J. 1922 p. 1055 (voor de toepassing van art. 219 Sv. 1886); 29 April 1907 W. 8539 p. 2, P. v. J. 647 (contra O. M.) voor het geval dat de — hier relatieve — incompetentie eerst blijkt bij het onderzoek ter strafzitting. Voor een beschikking in voluntaire jurisdiktie zie Rb. Middelburg 19 Okt. 1911 W. 9274. Voor Frankrijk vgl. S. et P. 1914. 1. 138, noten 1—3.

Is de competentie afhankelijk van een omstandigheid, waaromtrent niet kan worden beslist zonder meer of min in te gaan op de zaak zelf (zie b.v. art. 41 R. O. en vgl. hierna op Inl. p. 196, no. 1), dan kan over de competentie zelf niet worden beslist zonder onderzoek naar die omstandigheid. Het vooruitloopen op de beslissing in de zaak zelf is dan niet geheel te vermijden.

Bij dit no. 1 vgl. Besier in R. Mag. 1914 p. 567— 570 jIS p. 585, 587—590, 597. Tegen zijn bestrijding van H. R. 26 Juni 1914 W. 9680 zie G. K. in W. 9707 p. 3 kol. 3, die m. i. gelijk heeft: is de formeel gedaagde rechtens als niet bestaande aan te merken, dan zijn er geen twee partijen en is er dus geen geding. Het onderzoek hiernaar moet vóór alles gaan, ook vóór dat naar de competentie, die een geding onderstelt.

Vgl. verder Rb. Utrecht 25 Maart 1914 W. 9754, de eerste vier rechtsoverwegingen; Ktg. Leeuwarden 2 Okt. 1915 R. B. A. 7 p. 6. De Kantonrechter onderzocht zijn competentie na een ontvankelijkverklaring. Dit bij een exceptie van nietontvankelijkheid, die hij opvatte als eene van incompetentie. Dat is onjuist. Onjuist m. i. ook Hof Arnhem 18 Dec. 1923 W. 11137, N. J.

Sluiten