Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 34.

art. 95 R. O. kan men stellen dat art. 95 ruimer strekking heeft dan art. 2. Vgl. Inl. p. 769 M.

P. 34, no. 4, 2e reg. — Bij „belang" een noot: Star Busmann, Hoofdstukken in no. 125 (2e dr. p. 121) acht dat belang niet groot. Het is waar dat een onbevoegd- en een niet-ontvankelijkverklaring vaak tot hetzelfde praktische resultaat leiden. Maar niet steeds is dat zoo. Daarom moet het praktische belang worden erkend. Zie Scheltema in .W. P. N. R. 3137 p. 62 kol. 2. Vgl. nog S. B. 1. 1. in no. 238 (2e dr. p. 305 v. o.). Rb. 's-Gravenhage 31 Jan. 1928 W. 11889 weigerde onderzoek der grief dat de Kantonrechter ten onrechte een onbevoegd- in plaats van een niet-ontvankelijkverklaring had uitgesproken, op overweging dat partij er geen belang bij had. Dat kan beteekenen: in het gegeven geval geen belang had of wel een gevolg zijn van de meening, die ook S. B. aanhangt.

P. 35, al. 2, reg. 2. — Na „lid 2" in te voegen: 324 no. 3. — De vermelding van art. 354 lid 2 Sv. 1886 vervalt, als niet overgenomen in Sv. nieuw. — Aangaande art. 68 lid 2 Rv. vgl. Rb. 's-Gravenhage 2 Okt. 1919 W. 10579; aangaande art. 358 Rv., Hof Amsterdam 30 Nov. 1920 W. 10679, N. J. 1921 p. 438.

P. 36, no. 4 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog b.v. hierna bij Inl.

p. 74 en,75 (bij no. 76 en no. 82).

P. 36, no. 5. — Het in no. 5 gezegde is m. i. miskend door Rb.' Groningen 7 Dec. 1923 W. 11140, N. J. 1924 p. 637, R. B. A. 12 p. 18 (zie hierna bij Inl. p. 102). — Over het verschil tusschen een grond voor niet-ontvankelijkheid in den engeren technischen zin en een grond voor ontzegging van den eisch vgl. o. a. E. M. M. in noot W. 9638 p. 2 kol. 3. P. 36, no. 5, al. 1 i. f. — Laferrière, zie 2e dr. II p. 419—420. P. 37, no. 7 i. f. — Toevoeging: Vgl. no. 28.

P. 38, no. 9. In plaats van „§ 6", lees: § 5.

P. 38, no. 10. — Vgl. boven bij Inl. p. 22, no. 1, over Hof Arnhem 18 Dec. 1923 en Ktg. Leeuwarden 2 Okt. 1915.

Sluiten