Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■DIJ

P. 70.

P. 70, reg. 3 v. b. — Na „ook" in te voegen: Hof Leeuwarden 6 Mei 1914 N. J. 1914 p. 917; Ktg. Middelburg 27 Dec. 1909 W. 8984;

P. 70, al. 1 i. f. — Toevoeging: Zie nog Rb. Amsterdam 9 Maart 1906 W. 8530, een niet-ontvankelijkverklaring motiveerend met een beroep op art. 2 R. O. (vgl. Vos in W. 8949 p. 6 kol. 2). Zie verder Handel" Tweede Kamer 1872—1873 p. 1201 kol. 1 v. b. in verband met Bijl" 1872—1873 no. 60 (8 p. 51 kol. 2) en Handel" 1. 1. p. 1232 kol. 2.

P. 72, reg. 4 v. b. — Na „829" in te voegen: Zie ook H. R. 30 Juni 1911 W. 9197, R.spr. 218 § 54, enkel motiveerend voor de competentie der rechterlijke macht, terwijl het cassatiemiddel had geklaagd over verkeerde toepassing èn van art. 2 R. O. èn van art. 1395 B. W. — Vgl. voorts C. R. 9 Jan. 1905 en 9 Okt. 1906 W. v. d. R.spr. Ongev.verzek. no. 64 sub 200 en no. 96 sub 871 (in 1906 vernietigend Raad van beroep Dordt 28 Mei 1906 C. Org. 3 p. 507). Aangaande een klacht tot terugbetaling van te veel betaalde premie overwoog de C. R. in 1905 dat den Raden van beroep geen bevoegdheid is verleend tot het bevel van zulke teruggaaf, zoodat klager in dat deel zijner vordering niet ontvankelijk was. — Hier was art. 79 oud Ongev.wet niet toepasselijk en daardoor ook niet artt. 1 en 77 Beroepswet. M. i. was de Raad van beroep incompetent voor dat deel der klacht. Er was sprake van een bevel, dat de Ongevallenrechter niet mocht geven, niet van een bevel, dat niemand geven mocht: of het recht op terugbetaling bestond had de rechterlijke macht te beslissen (vgl. boven bij Inl. p. 42, no. 24).

P. 72, no. 68 i. f. — Toevoeging: Aangaande de vordering van art. 1401 B. W. zie nog Hof 's-Hertogenbosch 21 Sept. 1909 W. 8960 en het vonnis a quo, Rb. Breda 15 Sept. 1908 W. 8881: de ontvankelijkheid der vordering werd gemotiveerd met overwegingen, die de competentie betroffen (vgl. in cassatie H. R. 29 April 1910 W. 9027, R.spr. 214 § 66, P. v. J. 989). —

Sluiten