Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIJ

P. 75.

N. J. 1924 p. 640; Meijers, De arbeidsovereenkomst, 3e dr. p. 232; Jitta, Int. priv.recht p. 633; W. P. N. R. 3137 p. 62.

Art. 4 lid 2 van het protocol van Genève van 24 Sept. 1923 (Stbl. 1925 no. 379) onderstelt dat bij beding van buitenlandsche arbitrale rechtspraak de rechterlijke macht onbevoegd is.

b. Bindend advies. Zie Hof 's-Hertogenbosch 2 April 1929 N. J. 1930 p. 283 (in den geest van a hierboven).

83. Ten aanzien van een overeenkomst tot berechting van geschillen door een buitenlandschen rechter zie boven no. 76 A, R. Mag. 1920 p. 245 en op art. 1 R. O. J no. 2, met Suppl.

84. Niet nakoming eener contractueele opdracht van beslissing aan een Hof door voor de Rechtbank te dagvaarden kan de vordering niet-ontvankelijk, maar niet de Rechtbank onbevoegd maken.

Rb. Groningen 28 Okt. 1927 W. 11766, N. J. 1929 p. 270.

85. Een bij de Rechtbank ingestelde vordering tot vaststelling der kosten eener rangregeling is niet ontvankelijk, daar krachtens artt. 557—559 Rv. alleen de rechter-commissaris bet geschil over het bedrag dier kosten heeft te beslissen.

Rb. Haarlem 7 April 1925 W. 11379.

Bij Hoofdstuk X (Concurreerende competentie).

P. 75, reg. 9 v. o. — Bij „237" een noot: Doch vgl. daaromtrent Centr. Comm. Rijnvaart 15 Febr. 1916 W. 10030 in verband met Hof Arnhem 24 Maart 1915 W. 9810, N. J. 1915 p. 581.

P. 76, reg. 6 v. b. — In plaats van „E § 1", lees: C. no. 8c (verwijzing naar R. Mag. 1922, alwaar zie p. 55—56).

P. 76, al. 2 i. f. — Woningwet, nu tekst 1921 Stbl. 705.

P. 76, reg. 9 v. o. — Na „265" in te voegen: oud.

P. 76, reg. 7 v. o. i. f. in te voegen: Vgl. nu b.v. H. R. 31 Okt. 1928 W. 11898, naar aanleiding van art. 265i Gem.wet (dat 1 Mei 1931 vervalt: artt. 27, 39 wet 1929 Stbl. 388). Yoor artt. 265c j° b zie H. R. 6 Mei 1925 W. 11441, N. J. 1925 p. 756; Rb. 's-Gravenhage 18 Nov. 1926 W. 11620, G.st. 3936 (9°),

Sluiten