Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 102.

betroffen art. 39 no. 3 R. O., waaromtrent vgl. nog met betrekking tot dit punt Meijers, De arbeidsovereenkomst, 3e dr. p. 230—231 en in R. B. A. 6 p. 26 (op Ktg. Haarlem 24 Juli 1914); B. Hes, Het arbeidscontract, 3e dr. (1909) p. 146. — In den geest van bovenstaand vonnis van Rb. Utrecht 1918 vgl. Hoogger. Hof N.-Indië 25 Sept. 1919 Ind. T. v. h. Recht 112 p. 466 (aldaar p. 466—469 citeeren partijen litteratuur en jurisprudentie). Vgl. Hartman in Het Recht in N.-Indië 91 p. 365—375.

Zie nog, evenals H. R. 7 Nov. 1929 met het oog op ait. 64 Armenwet 1912, Hof 's-Gravenhage 4 Jan. 1929 W. 11971,

N. J. 1929 p. 172.

Ten aanzien der competentie van den Kantonrechter voor een vordering tot schadevergoeding van niet meer dan f 200 wegens beweerdelijk onrechtmatig gelegd beslag, als insluitend een eisch tot vanonwaardeverklaring van dat beslag zie Rb. Haarlem 16 Dec. 1919 N. J. 1920 p. 283, over welk vonnis vgl. hierna op Inl. p. 191, no. 20 i. f.

P. 103, reg. 10 v. b. — Bij „gelegd" een noot: Maar niet steeds ook veroordeeling tot de prestatie, waarop dat recht aanspraak geeft; vgl. Rb. Rotterdam 19 Mei 1919 W. 10476 en concl. O. M. vóór H. R. 4 Maart 1904 (Inl. p. 101 v. o. geciteerd). Vgl. intusschemvoor derden-beslag H. R. 22 Maart 1883 W. 4886, R.spr. 133 § 45, v. d. Hon. B. R. 48 p. 234.

43 A. Terwijl de in no. 43 c bedoelde, voor de hoofdvordering aanwezige, concurreerende competentie van den rechter der vanwaardeverklaring met dien der op zich zelf staande hoofdvordering een uitzondering is op den gewonen regel van uitsluitende competentie, komt die regel weer te voorschijn als er een onderuitzondering is, die de concurreerende competentie verhindert (zie het hierna in no. 49 C te vermelden Rotterdamsche vonnis over de rechtspr&ak in Rijnvaaitzaken).

De uitzondering van concurreerende competentie is bij de

vanwaardeverklaring van beslagen in het algemeen af te leiden

Sluiten