Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 130.

P. 130, al. 1. — Lacoste, no. 62 is aangevuld in den 3" dr. p. 28. — Toevoeging aan al. 1 i. f.: Vgl. nog Hof 's-Hertogenbosch 1 Juli 1924 W. 11237 en concl. O. M. vóór H. R. 17 Jan. 1908 W. 8654, R.spr. 208 § 12, P. v. J. 731 (die het debat als criterium verwerpt).

P. 130, al. 2. — Garsonnet, zie 3e dr. III no. 622 p. 276 noot 5, tekst p. 274—276, no. 625 p. 284-285. Toevoeging aan al. 2 i. f.: Ygl. nog Hof Amsterdam 7 Maart 1913 W. 9528, N. J. 1914 p. 276; Rb. Heerenveen 1 Dec. 1911 W. 9359.

P. 130, al. 3. — v. Rossem, 2e dr. I p. 432, 429 en p. 84—85, 3e dr. p. 89—90. — Inl. 1. 1. staat er:„ p. 350", lees: p. 360. — Toevoeging aan al. 3 i. f.: Vgl. Meijers, noot 2 in W. P. N. R. 2432 p. 383 kol. 1 v. o. in verband met kol. 2. — Art. 337 Rv. bezigt de termen incidenteele en interlocutoire vonnissen in formeelen zin; zie H. R. 13 Dec. 1923 W. 11159(metnoot S. B.), N. J. 1924 p. 180; 15 Febr. 1918 W. 10253 (met noot 3 H. d. J.), de in de concl. O. M. vóór laatstbedoeld arrest vermelde jurisprudentie en H. R. 8 Mei 1914 W. 9686 (met noot J. W. M.), N. J. 1914 p. 715, W. P. N. R. 2329, al is dit arrest m. i. min juist gemotiveerd. J. W. M. ziet in het slot zijner noot over het hoofd dat, als een wetsartikel gelijk art. 337 Rv., de woorden eindvonnissen enz. in formeelen zin bezigt, dat nog niet steeds het geval behoeft te zijn en dat er niet uit mag worden geredeneerd voor het leerstuk van bet gezag van gewijsde, noch omgekeerd. — Verder vgl. nog Hof Leeuwarden 22 Juni 1910 W. 9078; S. B. in W. 12075 noot op H. R. 29 Nov. 1929.

P. 130, reg. 1 v. o. - Bij ,,f)" een noot: Vgl. H. R. 8 Jan. 1909 W. 8793, R.spr. 211 § 2, P. v. J. 822; een praeparatoir vonnis van eedsopdracht verliest dien aard niet doordat het een oordeel behelst over de beteekenis van den opgedragen eed, daar hiermede niets wordt beslist over de zaak ten principale.

P. 131, al. 1. — Lacoste, 3e dr. p. 31—33.

Sluiten