Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 183.

P. 133, reg. 12 v. o. — Na „leer" in te voegen: en eveneens in ons recht, dat weer van het Fransche afwijkt (zie noot S. B. in W. 11936 op H. R. 30 Nov. 1928, waarbij vgl. Micheels en S. B. in W. 11942 p. 8 j° 11949 p. 4); zie ook noot E. M. M. in N. J. 1929 p. 798 op gemeld arrest (1. 1. p. 793)

P. 133 v. o.—135 v. b. — Thans bepaalt art. 138 laatste lid Sv. wat het wetboek onder einduitspraak verstaat. Vgl. Blok—

Besier, Het Ned. strafproces I (1925) p. 411, II (1925) p. 319 354—355, 421—422.

P. 135, reg. 11—13 v. b. — v. Rossem, 3e dr. p. 383; Garsonnet, 3e dr. I no. 433 p. 687—688 j° III no. 461 p. 3—4.

P. 135, reg. 13 v. b. i. f. — Na „130" in te voegen: Star Busmann, Hoofdst. III (1927) p. 413 v. o. Vgl. ook Hof's-Gravenhage 7 Juni 1909 W. 8899, P. v. J. 909: niet alle provisioneele vorderingen moeten als incidenteele worden ingesteld, zie b.v. artt. 289 j° 292 Rv. Het Hof paste dit toe op een vordering, waarvan de strekking is een krachtens art. 820 Rv. gegeven beschikking van den President der Rechtbank te wijzigen en

' wel met een uitlegging van art. 269 B. W., die niet is gedeeld door Hof Amsterdam 11 Juli 1913 W. 9530, N. J. 1913 p. 1276, noch in cassatie van dat arrest door H. R. 18 Sept. 1913 W. 9585, N. J. 1913 p. 1105.

P. 135, no. 5, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. v. Rossem in W. 9867 p. 8 tegen de concl. O. M. vóór H. R. 14 Mei 1915 W. 9841, N. J. 1915 p. 879, W. P. N. R. 2387.

P. 135, reg. 5—4 v. o. — Garsonnet, 3e dr. III p. 274.

P. 135, reg. 1 v. o. i. f. — Toevoeging: Vgl. Micheels in W. 10216 p. 4 kol. 2.

'P. 137. § 2 (Verwijzing).

P. 137, no. 6 i. f. — Toevoeging: Vgl. ten aanzien van dien regel bij incidenten, die als voorwerp van een zelfstandig geschil niet zouden vallen onder de jurisdiktie van den (Nederlandschen) rechter E. Bartin, Etudes sur les effets inteinationaux

Sluiten