Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 137.

des jugements I (1907) p. 23—26 jis p. 35, 50 noot, p. 98—100 (over zijn terminologie 1. 1. p. 1—5).

§ 3 (Appellabiliteit van incidenteele vonnissen).

P. 138, no. 8, al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. voorts, betreffende een nietigverklaring der dagvaarding, Hof 's-Hertogenbosch 2 April 1917 W. 10072.

P. 138, no. 8, al. 2 i. f. toe te voegen: no. 9a.

P. 138, no. 9 i. f. — Toevoeging: Vgl., behalve het hierna bij Inl. p. 140 (no. 16) te vermelden arrest H. R. van 1918, Rb. Roermond 28 Okt. 1858 W. 2090: bij niet-appellabiliteit der eindbeslissing blijft deze immers toch onveranderlijk. — Voor het vonnis op een rolincident, dat rechten van partijen vaststelt en dus niet is een bloot dictum ter rolle, zie Hof Amsterdam 27 Okt. 1922 W. 11019 (vgl. no. 11a, laatste alinea, op art. 53 R. O.).

P. 139, no. 15. — Het arrest Hof Noord-Brabant 4 Juni 1839 in Het Regt in Nederland 2 p. 190, betrof metterdaad niet een incidenteel vonnis.

P. 139, reg. 6 v. o. — Na „vonnis" in te voegen: der Rechtbank

P. 139, reg. 5 v. o. — In plaats van „het", lees: haar

P. 140, no. 16 i. f. — Toevoeging: Zie nog de boven bij Inl. p. 115, al. I i. f. geciteerde arresten Hof Amsterdam 25 Mei 1917 en in cassatie H. R. 26 April 1918. De Hooge Raad overwoog ongeveer aldus: Een tusschengeschil moet noodwendig staan ter eindbeslissing bij den rechter, geroepen uitspraak te doen in de hoofdzaak, omdat het een deel uitmaakt van het geheel en het dus ondenkbaar is dat, indien de hoofdzaak in hoogsten aanleg is beslist, het tusschengeschil nog door eenigen rechter zou kunnen worden berecht. Een Hof kan dan ook nooit worden geroepen recht te doen in een geding ter . bevoegdheid van den Kantonrechter. Art. 100 Rv. maakt de Rechtbank niet tot rechter in eersten aanleg, al houdt zij de hoofdzaak aan zich, wat zij immers niet behoeft te doen. Haar beslissing wordt dus in het geval van art. 100 steeds in hoogste

Sluiten