Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 140.

ressort gegeven. — In dien zin ook Hof Amsterdam 30 Okt. 1928 W. 11901 (de toevoeging der Red. W. berust op misverstand).

P. 140, reg. 7 v. o. — Bij „gekomen" een noot: Yoor het geval dat men wèl van beide tegelijk in hooger beroep is gekomen, speciaal met het oog op na het interlocutoir geschiede vermindering van den eisch tot beneden het appellabel bedrag vgl. Rb. Amsterdam 30 Juni 1919 W. 10495, N. J. 1920 p. 174.

P. 140, reg. 4 v, o. — Na „77" in te voegen: Rb. Roermond 28 Okt. 1858 W. 2090

P. 140, reg. 1 v. o. i. f. — Toevoeging: Zie ook het slot der concl. O. M. vóór H. R. 31 Juli 1908 W. 8750, R.spr. 209 § 59, P. v. J. 780.

P. 142, al. 2 i. f. — Toevoeging: Ygl. nog Weve in Themis 1849 p. 554—555.

P. 142, e, reg. 3. — Na „44 lid 2" in te voegen: no. 20a. — Na „R. O.": no. 9b

P. 143, e i. f. — Toevoeging: Voorts Hof Amsterdam 24 Jan. 1913 W. 9460, N. J. 1913 p. 334, W. P. N. R. 2263.

P. 143. § 4 (Competentie byj incidenteele vorderingen).

P. 144. 25 A. De Rechtbank, competent voor de hoofdvordering met eisch tot vanwaardeverklaring van een conservatoir beslag, is het ook voor de incidenteele vordering tot opheffing van dat beslag, hetzij die vordering berust op art. 309 of op art. 731 Rv.

Rb. Roermond 11 Dec. 1919 N. J. 1920 p. 281.

P. 144, no. 26 i. f. — Toevoeging: Aan het in no. 26 omschreven beginsel is m. i. ook vast te houden voor de jurisdiktie van den Nederlandschen rechter. Vgl. bet speciaal voor Fransch recht geschreven werk van Bartin (boven bij Inl. p. 137 geciteerd) p. 20—38, 98—101 jis p. 1—5 en de door hem vermelde jurisprudentie. Maar, al moet de Nederlandsche rechter zich incompetent verklaren voor een zelfstandigen incidenteelen eisch, die niet onder zijn jurisdiktie valt, hij kan wel de kwesties, die zulk een eisch opwerpt, onderzoeken bij louter praejudicieele

Sluiten