Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 152.

reden dezer wijziging is dat het geschil ook wel eerst in de aanhangige strafzaak kan zijn ontstaan.

P. 152, reg. 11 v. o. — Art. 6 Sv. 1886, nu art. 14.

P. 153. § 1 Afdeeling 2 (Verdeeling).

P. 155, reg. 8 v. b. — Bij „321" een noot: Aan het daar door hem gezegde schijnt hij niet te hebben gedacht 1.1. p. 208—210.

P. 155, al. 2, reg. 8. — ln plaats van „D no. 3", lees: C no. 9 j° no. 7 (verwijzingen naar R. Mag. 1921).

P. 155, al. 2 i. f. — lees: R. O., F no. 6, verwijzing naar Themis 1921 p. 384—398).

P. 155, reg. 1 v. o. — In plaats van § lees: no.

P. 156, reg. 12 v. b. — In plaats van „D nos. 3, 4, 10, 11, 14 en 20", lees: C no. 9 (verwijzing naar R. Mag. 1921 p. 380—391).

§ 1 Afdeeling 3 (Gezag van gewijsde der praejudicieele beslissingen).

P. 157, reg. 9 v. b. — Na „h" in te voegen: In W. P. N. R. 2453 p. 636 merkt E. M. M. op dat de genoemde schrijvers onderling nog zeer verschillen.

P. 157, noot 1, reg. 3. — Na „daartegen" in te voegen: (d. w. z. tegen het daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend vervatte deklaratief)

P. 157, noot 1 i. f. — Toevoeging: Meijers meent in W.P. N. R. 2408, noot p. 101—102, dat mijn omschrijving één der beteekenissen is, waarin de uitdrukking gezag van gewijsde wordt gebezigd. Echter vallen de twee andere door hem genoemde er m. i. onder. Over den aard van het gezag van gewijsde vgl. nog o. a. J. Kobler, Lehrb. der Rechtsphilosophie (1909) p. 168—170 onder 2—5; A. Merkl, Die Lehre der Rechtskraft... (1923) p. 242—243 jis p. 270—275 en daarbij p. 277 vv. (vooral p. 292 vv.), 300—302. Vgl. ook R. Mag. 1928 p. 352—353.

P. 158, reg. 7 v. b. — Na „feiten" in te voegen: In dien geest ook Anema in Asser's Handl. N. B. R. V, 2e dr. (1923) p. 352—353 jis p. 343, 348—349, 353-359.

P. 158, al. 2 i. f. — Toevoeging: Ygl. nog de opmerkingen van

Léon's Rspr., 1T, 1, r. O., s.

Sluiten