Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JB1J

P. 300.

toebehooren aan den bij strafvonnis aangeduiden persoon, waarbij de Rechtbank, in den geest der Inl. p. 300 vermelde jurisprudentie, ook voor het eigendomsrecht van den betrokkene bewijs putte uit het strafvonnis.

P. 301, noot. — Vóór den aanhef een nieuwe alinea: Over het ongerijmde dier gevolgtrekking Stein (bij Inl. p. 5 geciteerd) p. 99 v. b. Zelfs noemt hij haar „praktisch undenkbar". Dat dit te veel is gezegd blijkt uit de volgende alinea dezer noot. — Vgl. nog Jèze in Rev. du droit public 1913 p. 485—487 (gewijzigd in zijn Les Principes, 3e dr. I p. 317—322). — Bij het slot dezer noot vgl. bij Inl. p. 89 reg. 4 v. o.

P. 302, no. 53 i. f. — Hierbij een noot: Vgl. omtrent de kracht der in een strafvonnis opgenomen overweging over de openbaarheid van een weg voor een latere strafzaak Rb. 's-Gravenhage 13 Okt. 1913, bij Inl. p. 310 te vermelden.

P. 302, tekst, reg. 7 v. o. — Bij „3907" een noot: Vgl. Hof Amsterdam 27 Nov. 1908 W. 8828 aangaande de beschikking eener Rechtbank in een strafprocedure, waarbij iemand wegens ontoerekenbaarheid buiten vervolging werd gesteld. Het Hof overwoog dat blijkens artt. 1954 vv. B. W. aan zulk een beslissing de kracht van een wettelijk vermoeden in een civiel geding niet kan worden toegekend. — Vgl. hierna bij Inl. p. 305 over gevolgtrekkingen uit de omstandigheid dat de wet den strafrechter bij het geven der beschikking zelf het eindoordeel overlaat omtrent de aanwezigheid der voor die beschikking in de wet gestelde vereischten.

P. 302, noot 2, reg. 3. — Na „1422" in te voegen: Vgl. b. v. Rb. Rotterdam 15 April 1901 W. 7724 (zie aldaar p. 3 kol. 2) en in het algemeen voor het putteü van vermoedens uit de bewijslevering in een vroeger proces H. R. 27 April 1922 W. 10975, N. J. 1922 p. 598; Anema 1. 1. p. 375—377. Voor het geval dat het vroegere proces in het buitenland heeft plaats gehad zie, als het een strafproces is geweest, Rb. Maastricht 8 Dec. 1927 W. 11847, N. J. 1929 p. 130 en was het een

Sluiten