Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÜIJ

P. 310.

strafoplegging onderstelt) een andere meening opgesloten in de formuleering van het arrest Hof Amsterdam van 26 Juni 1911 W. 9226, W. P. N. R. 2187, waarbij Pres. Rb. Amsterdam 19 Dec. 1910 (zie t. a. p.) is bevestigd. Gevorderd was veroordeeling van een notaris tot het verleenen van zijn dienst, dien hij had geweigerd op grond eener aanschrijving, waarbij de Kamer van Toezicht op de notarissen deze had bedreigd met toepassing van art. 50 C Notariswet, indien zij hun dienst verleenden in gevallen als het onderhavige. De Pres. der Rechtbank overwoog dat, wordt de vraag of zekere notaris een juiste opvatting heeft over ambtelijke eer en waardigheid niet aan de Kamer van Toezicht voorgelegd, maar aan den rechter, deze die vraag heeft te onderzoeken, doch dat bij hem debat hierover is uitgesloten na een aanschrijving der Kamer, op dat punt betrekkelijk, nu die aanschrijving voor den notaris een gegronde reden is tot dienstweigering, bedoeld in art. 6 Notariswet, terwijl het waken voor eer en waardigheid der Notarissen bij uitsluiting is opgedragen aan de Kamer van Toezicht [afgezien van art. 50 D Not.wet], zoodat de rechter geen beslissing mag geven, tegengesteld aan die der Kamer. Het Hof nam aan dat blijkens de Mem. v. Toel. op het ontwerp wet 12 Juni 1909 Stbl. 142 [lees: 30 Dec. 1904 Stbl. 283] het oordeel over de juistheid der opvatting van de Kamer van Toezicht den rechter is onttrokken [d. w. z. bij toepassing van art. 50 D, vgl. Bijl" Handel" Tweede Kamer 1902—1903 no. 209, 3°, III0] zoodat die Kamer in hoogste ressort op het bedoelde punt beslist. — Inderdaad is een aanschrijving als hier door de Kamer van Toezicht was gegeven een voldoende grond in den zin van art. 6 der Notariswet. En daaruit volgt dat, had eischer b.v. een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige dienstweigering ingesteld, die eisch niet zou mogen worden toegewezen, daar de juistheid der aanschrijving zonder invloed was op het lot der vordering. Datzelfde had ook hier kunnen zijn overwogen (vgl. Inl. p. 182 vv.).

Sluiten