Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 334.

Het hangt hiervan af, of men daarbij onder iedereen, zooal niet den rechter, dan toch het Openbaar Ministerie begrijpt. Want doet men dit laatste, dan is de rechter, ook al is hij niet begrepen onder iedereen, omdat dit slechts doelt op de rechtssubjekten, gebonden aan het vroegere vonnis, doordat zijn gebondenheid afhangt van die der partijen in het nieuwe geding (vgl. Inl. p. 279—280). Ten opzichte der strekking van gezag van gewijsde voor „iedereen" zich aansluitend bij Kuttner 1. 1. p. 63 v. o., ziet Saunus over het hoofd dat voor de beantwoording der vraag, of de strafrechter gebonden is aan het civiele vonnis de z.g. subjektieve grenzen van het gezag van gewijsde van belang zijn en niet de objektieve, noch wat hij noemt de natuur (de aard) van dat gezag.

P. 334, al. 2 i. f. — Toevoeging: Rb. Alkmaar 14 Juni 1921 N. J. 1921 p. 1077 was in een meineedszaak van meening dat de strafrechter niet had te beoordeelen of de burgerlijke rechter in een voorafgaand proces terecht had aangenomen dat de omstandigheden, die bij huur van onroerend goed naar het toen nog geldende art. 1604 B. W. getuigenbewijs wettigden, aanwezig waren. De strafrechter heeft na te gaan of het wettelijk voorschrift, dat een verklaring onder eede vordert, hier art. 107 (jis artt. 200 lid 1, 200 A lid 5) Rv. toepasselijk was. Moet dit art. 107 in zoodanig verband met art. 103 (199) worden gebracht dat het enkel toepasselijk is, als de wet getuigenbewijs toelaat, dan is verschillend inzicht der rechters in het burgerlijk en in het strafgeding aangaande de vraag of dat getuigenbewijs was toegelaten mogelijk en m. i. de strafrechter niet gebonden aan de wetsuitlegging van het voorafgaande burgerlijk vonnis. Maar men kan ook van oordeel zijn dat art. 107 Rv. toepasselijk is, als de burgerlijke rechter art. 103 (199) zij het misschien ten onrechte toepasselijk heeft geacht. In dat geval is de vraag, of die meening van den burgerlijken rechter juist was, in het strafgeding niet ter zake dienend en had de Alkmaarsche Rechtbank gelijk. Van gebondenheid van den straf-

Sluiten