Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 341.

en 5585, alsmede andere beslissingen, Inl. p. 486—488 vermeld.

Aangaande Rb. Dordt 28 April 1909 zie bij Inl. p. 339, reg. 3 v. o,

P. 341, noot. — Na „e" toe te voegen: , p. 487.

P. 342 D. (Gebondenheid van den rechter aan beslissingen der administratie, die geen rechtspraak zijn).

Hierbij zie Kelsen (bij p. 2 al. 2 geciteerd) p. 11—13. Zijn opvatting is die der speciaal in Oostenrijk heerschende leer (vgl. ook het boven bij p. 2 naar aanleiding van Merkl gezegde).

P. 343, noot. — Toevoeging: Ktg. Harderwijk 16 Maart 1915 W. 9774, G.st. 3322 (6°), W. B. A. 3445 (met overneming der motieven bevestigd door Rb. Zwolle 10 of 17 Juni 1915 en op dit punt bestreden door Red. in W. B. A. 3447) liet de beslissing der vraag, of een door den Gemeenteraad goedgekeurd politie voorschrift van den Burgemeester na die goedkeuring al dan niet moest worden aangemerkt als een verordening van den Raad, ten onrechte afhangen van de (overigens toen juiste) beantwoording dier vraag door het administratief gezag, in plaats van dit zelf te beoordeelen.

Over de erkenning door den rechter als een feit dat er een administratieve handeling (b.v. een beslissing) aanwezig is, zie W. Jellinek, Verwaltungsrecht le dr. (1928) p. 16 v. o.—17 ja p. 18.

P. 345. 76 A. Na de goedkeuring door Ged. Staten van het aan een gemeente-ontvanger onverzocht gegeven ontslag ingevolge art. 106 lid 2 Gem.wet [ingevoegd bij wet 1904 Stbl. 25] mag de rechterlijke macht niet nog eens onderzoeken of er voor dat ontslag voldoende gronden hebben bestaan. Blijkens de [in het vonnis aangegeven] geschiedenis der wet van 1904 heeft de wetgever bedoeld dat enkel Ged. Staten en niet de rechter dit punt zouden hebben te beoordeelen.

Rb. Maastricht 4 Maart 1926 W. 11507, N. J. 1926 p. 953.

P. 345, reg. 9 v. o. — In plaats van „no. 4" lees: art. 19 no. 4, tekst 1923 Stbl. 106.

Sluiten