Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 349.

2332 (gewezen in dezelfde aangelegenheid als het arrest van 1916) met de concl. O. M., die verboden achtte rechterlijk onderzoek der vraag, of een Raadsbesluit, dat bouw- of uitbreidingsplan vaststelt, ter onteigening meer grond aanwijst dan geoorloofd is, daar het onteigeningsbesluit in dit opzicht enkel aan de goedkeuring der Kroon is onderworpen. Het arrest van 1914 verklaarde niet-ontvankelijk het beroep in cassatie tegen Hof Leeuwarden 11 Maart 1914 W. 9600, N. J. 1914 p. 464, G.st. 3297 (8°), waarbij was vernietigd Rb. Groningen 18 Juni 1913 W. 9496, G.st. 3235 (9°). Dit eveneens uitvoerige vonnis had overwogen dat de goedkeuring van het Raadsbesluit niet wegneemt dat dit besluit is een verordening in den zin van art. 150 Gem.wet en had ten overvloede de strekking der controle van hoogere administratieve machten aangewezen. Ook het Hof meende dat in de onteigeningsprocedure aan de taak des rechters slechts bierdoor een grens wordt gesteld dat hij zich heeft te onthouden van de beoordeeling der doelmatigheid en achtte den rechter niet gebonden aan het koninklijk goedkeuringsbesluit. Anders op dit punt Hof Amsterdam 6 Dec. 1912 W. 9409, N. J. 1913 p. 138, W. P. N. R. 2250 p. 62-63 (vgl. p. 64—65 een arrest van denzelfden datum en gelijke strekking) met vernietiging van Rb. Amsterdam 30 April 1912 W. 9328, W. P. N. R. 2250, G.st. 3167 (9°), W. B. A. 3286, van welk vonnis zie speciaal de vierde in verband met de negende rechtsoverweging en in verband met de conclusie van gedaagde. De Rechtbank had zich niet gebonden geacht aan de goedkeuring van het onteigeningsbesluit door de Regeering, waartegen het Hof, evenals de H. R. in 1916, het stelsel der Onteigeningswet aanvoerde, echter met zwakker motiveering dan die van den H. R. — Bij deze jurisprudentie vgl. Rb. Almelo 23 Dec. 1925 N. J. 1926 p. 392. Dit vonnis rekende het tot 's rechters taak te waken tegen benadeeling van den onteigende ingevolge art. 92 Onteigeningswet doordat Ged. Staten en Regeering de termijnen van artt, 85 en 86 dier wet hebben

Sluiten