Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 349.

overschreden. Vgl. hierbij in het arrest H. R. van 1916 de overweging dat artl. 85 en 86 willen waken tegen ongerechtvaardigde besluiten van den Raad, zonder dat de H. R. echter ook die artikelen noemde onder de bepalingen, waarvan mede de rechterlijke macht heeft na te gaan, of ze zijn nageleefd. Het Almelosche vonnis is bestreden door Vos in W. v. G. 5 p. 83—34.

79 B. In G.st. 3323 (1° i. f.) wordt het bloote feit dat een krachtens art. 187 Gem.wet door den Burgemeester uitgevaardigde verordening door den Raad is bekrachtigd als een hinderpaal tegen het toetsingsrecht van den rechter aangemerkt. Ten onrechte m. i. wordt daarbij verzuimd te onderscheiden tusschen wettigheid en doelmatigheid der verordening.

79 C. Rb. Almelo 13 Juni 1923 W. 11097 achtte implicite den rechter gebonden aan de goedkeuring van een onwettig gemeentelijk belastingkohier door Ged. Staten.

P. 349, tekst, reg. 8 v. o. — Bij „nemen" een noot: G. A. v. Hamei, in T. v. S. 1 p. 375 meent zelfs dat, daar het niet schorsen of vernietigen der verordening door de Kroon handhaving dier yerordening is, de rechter dan de verordening als wettig heeft te eerbiedigen. Tegen hem zie L. P. Prins, diss. (Inl. p. 454 v. o. geciteerd) p. 69—73, bij wien Limburg zich in W. 6829 p. 4 aansluit. Niet vol te houden is v. Hamel's onderscheiding 1. 1. p. 373—374 tusschen toepassing der verordening door den rechter en diens beoordeeling van uitvoeringshandelingen. Ging de redeneering van v. H. ten aanzien der laatste op, dan zou zij evengoed gelden voor de eerste. — Vgl. nog het hieronder vermelde arr. H. R. van 4 Jan. 1928.

P. 349, tekst, reg. 1 v. o. — Na „geschil1)." in te voegen: H. R. 4 Jan. 1928 W. 11796, N. J. 1928 p. 259 overwoog aldus: Door de beslissing der Koningin geen termen te hebben gevonden tot vernietiging van een ingevolge art. 22 lid 6 Woningwet door Ged. Staten gegeven beslissing kon die beslissing van Ged. Staten, als zij niet rechtsgeldig was, geen rechtskracht

Sluiten