Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 545.

stoornis. Bij Kemper sluit Red. W. B. A. 3447 zich aan. — G.st. 3823 (1° i. f.) meent: de rechter mag niet beoordeelen, of de Gemeenteraad terecht de verordening van den Burgemeester heeft bekrachtigd, dus mag hij ook het bekrachtigde voorschrift niet toetsen aan de wet. Hieromtrent vgl. boven bij Inl. p. 349, no. 79 B. In no. 3324 (10°) zegt die Redaktie: is het voorschrift nog niet bekrachtigd, dan moet de rechter onderzoeken, of er, toen het werd uitgevaardigd, een geval was als bedoeld in art. 184 Gem.wet. — Op het beroep in cassatie van gemeld vonnis der Rechtbank heeft H. R. 8 Nov. 1915 W. 9870, N. J. 1916 p. 43, W. B. A. 3495, overwogen dat de rechter, geroepen te onderzoeken of een algemeen voorschrift van politie verbindende kracht heeft, moet vragen, of men te doen heeft met „zoodanigen toestand" dat de Burgemeester bevoegd was tot het uitvaardigen van het voorschrift, hier dus of er was stoornis der openbare orde. Vgl. de concl. O. M., betoogend dat de vraag enkel deze was, of die stoornis, niet of er vrees voor de stoornis bestond, zooals de Kantonrechter had aangenomen. Ware diens uitlegging van de Gem.wet juist, dan zouden m. i. Kempers c. s. gelijk hebben gehad op de gronden, voor een soortgelijk geval aangevoerd Inl. p. 609 noot 2, waarbij zie aldaar p. 565 vv., 582 v. o.—583 v. b. Over het arrest van den Hoogen Raad van 1915 vgl. Leendebtz in W. 9896 p. 7—8.

P. 545, no. 9 i. f. — Toevoeging: Bij dit no. vgl. Boasson p.46—47. .

9 A. De vraag of zekere voorwaarde, gesteld bij een verordening op het gebruik van het gemeente-abattoir (vgl. art. 4 no. 3 Hinderwet, wet 1901 Stbl. 161) strookt met het gemeentebelang, dan wel te bezwarend is voor de ingezetenen, is j overgelaten aan het eindoordeel van Gemeenteraad en Kroon.

Concl. O. M. vóór H. R. 17 Jan. 1910 W. 8875 p. 1—2, P. v. J. 931.

P. 546 tekst, reg. 8 v. o. — Na „275" in te voegen: Voorts door H. R. 26 Okt. 1914 W. 9717, N. J. 1915 p. 87, inzoover

ii

Sluiten