Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 556.

schikking van den Commissaris des Konings, krachtens art. 16 Invorderingswet 1845 Stbl. 22 gegeven, is gemotiveerd, niet te beoordeelen. Daar art. 16 hierover niets zegt, is dit overgelaten aan het eindoordeel der administratie.

Hof Amsterdam 26 Juni 1928 W. 11899, N. J. 1929 p. 1066.

20 D. Hoewel de Crisis-huurwetten en de Distributiewet zijn ingetrokken, vgl. naar aanleiding der eerste Hof Amsterdam 22 April 1924 W. 11198, N. J. 1925 p. 12 en Rb. Rotterdam 27 Sept. 1920 N. J. 1922 p. 41: de doelmatigheid, respektietievelijk de billijkheid'der beslissingen van de huurcommissie waren niet ter beoordeeling der rechterlijke macht [afgezien van het beroep bij den Kantonrechter]. Naar aanleiding der Distributiewet vgl. Rb. 's-Gravenhage, vonnissen van 28 Juni 1921 N. J. 1922 p. 360, van 14 Maart 1922 N. J. 1922 p. 1017, van 11 April

1922 W. 10994, van 25 April 1922 W. 11024 en van 10 April

1923 N. J. 1923 p. 1265, alle weigerend vragen van beleid bij de toepassing dier wet te onderzoeken. Ygl. in W. 11069 de noot H. d. J. op H. R. 13 April 1923 in verband met beslissingen van Rb. en Hof 's-Gravenhage, die echter de wettigheid eener inbeslagneming krachtens de Distributiewet betroffen.

20 E. Of zeker besluit van een Gemeenteraad is te rijmen met een juist geldelijk beleid, staat niet ter beoordeeling der rechterlijke macht.

Concl. O. M. vóór H. R. 31 Mei 1929 W. 12027, N. J. 1929 p. 1098.

20 F. De Voorzitter der Rechtbank heeft niet te oordeelen over de doelmatigheid van het besluit van een Burgemeester betreffende het sluitingsuur van een koffiehuis.

Pres. Rb. Rotterdam 8 Maart 1929 W. 12092, N. J. 1930 p. 68.

20 G. Residentiegerecht Batavia 18 Maart 1927 Ind. T. v. h. Recht 127 p. 63 was van meening dat de rechterlijke macht, hoewel competent voor de vordering van een ambtenaar tegen de Nederlandsch-lndische Regeering tot vergoeding van krachtens zijn dienstverband gegeven extra-lessen (dus over een

Sluiten