Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 612.

W. 12032). — In Duitschland liet RG. 22 Mei 1928 E. Z. S. 121 p. 225 (232—233) zich aldus uit: de rechter kan onderzoeken, of bij een aan het „Ermessen" der administratie overgelaten maatregel er tusschen middel en doel een redelijke verhouding („angemessenes Verhaltnis") aanwezig is.

De wet kan een regeling geven, die den rechter tot onderzoek der beleidskwestie noopt. Ygl. Boasson p. 342—347 (oproerschade in Frankrijk); Mulder in R. Mag. 1924 p. 330—363; Harthoorn in R. Mag. 1929, Suppl. p. 140—141.

P. 613 reg. 2 v. b. — Bij „463" een noot: Ygl. boven bij Inl. p. 305 no. 54 A i. f. In zijn (daar geciteerd) arrest van 22 Juni 1922 heeft Hof 's-Gravenhage art. 29 Tarief Sz. zoo gelezen, alsof het den Kantonrechter het eindoordeel liet over het bestaan der in dat artikel gestelde vereischten. M. i. leidt daartoe noch zijn tekst, noch zijn wordingsgeschiedenis (vgl. Bijl" Handn Tweede Kamer 1871—1872 p. 1470 en artt. 39—40 Fransch dekreet van 18 Juni 1811).

Naar aanleiding van artt. 227 c en k lid 2 van het vroegere Wetb. v. Sv. (naar wet 1921 Stbl. 833, zie nu artt. 369, 376 lid 2 Sv.) vgl. noot D. S. in W. 11288 op H. R. 3 Nov. 1924. D. S.'s vraag of deze bepalingen noodzakelijk meebrachten (meebrengen) wat het arrest heeft beslist, is zeker bevestigend te beantwoorden, maar zijn wensch de redaktie meer objektief te formuleeren is m. i. te beamen als die objektieve formuleering doenlijk is.

P. 613 reg. 14 v. b. — Bij „509)" een noot: Ygl. ook Strdïcken, Adm. of Rechter p. 50—51.

P. 613 al. 2. — O. Mayer 3e dr. I p. 133 v. o. — Toevoeging: Fleiner, Instit. 8e dr. p. 6—7; W. Jellinek, Gesetz .... p. 190—194; v. Laun 1. 1. p. 24 noot 2 (litteratuur), p. 25, 77—79, 82; Reichel in Festg. f. R. Stammler (1926) p. 310— 314; Oertmann in D. Jur. Zeit. 1912 kol. 186—191; E. R. Bierling, Jur. Prinzipienlehré IV (1911) p. 346—352; Michoud 1.1. p. 26—29; F. Geny, Méthode d'interprétation, 2e dr. (1919)

Sluiten