Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 682.

P. 632 reg. 11 v. b. — Schrap „nu". — Art. 190 Grw. 1887, nu art. 192.

P. 682 reg. 13 v. b. — Schepel 2e dr. p. 28—39.

P. 633 reg. 12 v. b. — Bij „gegeven" een noot: Ygl. Stheeman in W. B. A. 3148; R. Kranenburg, Het Ned. staatsrecht 3edr. II p. 334—335.

P. 634 no. 38 i. f. — Schepel 2e dr. p. 39—40. — Bij dit no. 38 vgl. Boasson p. 58—62.

P. 635 reg. 1 v. b. — Bij „131" een noot: Deze wet is vervangen door de Veewet 1920 Stbl. 153, die art. 29 der wet van 1870 niet heeft overgenomen. — Bij dit no. 41 der Inl. vgl. het bij Inl. p. 524 onder f vermelde arrest H. R. van 19 Febr. 1912, dat de twee in art. 15 der wet van 1870 voor de geldigheid der daar bedoelde koninklijke besluiten gestelde vereischten op één lijn stelde, namelijk 1° het vereischt zijn van den maatregel voor een der twee in het artikel aangeduide belangen en 2° het bestaan eener besmettelijke veeziekte. Omdat dit tweede punt een feitelijke omstandigheid betreft had het niet met het eerste punt moeten zijn gelijk gesteld. De tegenwoordige bepalingen zijn anders geredigeerd dan de vroeger geldende.

P. 635 no. 42 i. f. — Hierbij een noot: Zie thans art. 148, 2° Indische Staatsregeling Stbl. 1925 no. 327.

P. 636 reg. 4 v. b. — Na „136" in te voegen: (gewijzigd bij wet 1909 Stbl. 416)

P. 636 na no. 43.

43 A. Uit het stelsel der Arbeidswet 1919 [tekst 1922 Stbl. 457] volgt dat den Minister, en niet den rechter, het eindoordeel toekomt over de vraag, of voor een vergunning als bedoeld in art. 28 [1° of] 5° dier wet, de in deze bepalingen aangegeven gronden voorhanden zijn.

Concl. O. M. vóór H. R. 23 Nov. 1925 W. 11494, N. J. 1926 p. 7, met verwijzing naar het bij Inl. p. 524 en 635 vermelde arr. H. R. van 19 Febr. 1912, als betreffend een analoog geval.

43 B. Den rechter en niet het plaatselijk bestuur komt de

Léon's Rspr., II, 1, R. O., s. 17

Sluiten