Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«y

P. 703.

van de wet van 1922 Stbl. 69 in plaats van die van 1921 Stbl. 696).

P. 704 reg. 11 v. b. — Bij „40)" een noot: Vgl. in Frankrijk Cons. d'Etat 9 Maart 1927 D. P. 1928.3. 71. Er was een vonnis gewezen onder de oude wet, terwijl de nieuwe wet, ingevoerd toen men van dat vonnis in appèl kwam, een andere regeling gaf zoowel voor de competentie in eersten aanleg als voor die in appèl (van beslissingen der nieuw aangewezen rechters), zoodat van zelf die nieuwe regeling niet sloeg op vonnissen, gewezen dooiden naar de oude wet bevoegden rechter. De noot bij D. P. 1.1. houdt niet uiteen het overgangsrecht ten aanzien van 1° de vatbaarheid van vonnissen voor nadere voorziening, 2° de aangaande die voorziening gestelde termijnen en 3° de competentie van den appèlrechter.

P. 706 (§ 4. Invloed van verandering der wetgeving, die betrekking heeft op omstandigheden, welke competentie, enz. bepalen).

P. 707 noot, reg. 6 v. o. — Na „rechtsmiddelen" in te voegen: In dien zin ook E. M. M. in N. J. 1926 p. 1084—1085, noot op H. R. 4 Juni 1926.

P. 710 no. 19 i. f. — Toevoeging: art. 33 (2°) wet 28 Dec. 1920 Stbl. 919; artt. 6—8 wet 22 Juni 1923 Stbl. 277.

Bij Hoofdstuk XXI (Invloed van volkenrechtelijk gewoonterecht in tijd van vrede op cle rechterlijke competentie).

P. 711 § 1 (Inleidende opmerkingen).

P. 711 no. 1 reg. 2. — Bij „no. 1" een noot: Ygl bij ons Baak in N. J. bl. 2 p. 217—223 (die litteratuur vermeldt); Lysen in De Gids van 1927 IV p. 97—118. — Nederlandsche schrijvers over den grondslag van het volkenrecht: J. Kosters, Les fondements du droit des gens (1925); H. Krabbe, De moderne staatsidee (1915) p. 177—180 jis p. 40, 180—182, 212—213; Cathrein in Arcli. f. Rechts- und Wirtsch.philos. 10 p. 4—9 en zijn Die Grundlage des Volkerrechts (1918); B. M. Telders, Staat en Volkenrecht, diss. Leiden 1927 p. 7—69, 106—107,

Sluiten