Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HIJ

P. 740.

keling der immuniteit van vreemde Staten als gaandeweg uit gebreid tot hun privaatrechtelijke betrekkingen. Zoowel van die beschouwing als van de meening der Rechtbank aangaande courtoisie als basis der immuniteit voor de Staatsrepresentanten kan de juistheid in twijfel worden getrokken.

P. 741 no. 18 i. f. — Toevoeging: Belangrijk is de nieuwere jurisprudentie en litteratuur over den rechtstoestand naar volkenrecht van door vreemde Staten gebezigde schepen. Zie o. a. Fedozzi in Ree. Ac. 1925 V (1927) p. 5—222; M. Böger, Die Immunitat der Staatsschiffe (1928), speciaal zijn hoofdstuk VI

• over het door Nederland niet geratificeerde verdrag van 1926 (in dat hoofdstuk en elders gewaagde beweringen); G. Feine, Die völkerrechtliche Stellung der Staatsschiffe (1921); N. Matsunami, Immunity of State Ships (1924); Garner in Brit. Yearb. of Int. Law 1925 p. 128—143; Mc. Nair aldaar 1921—1922 p. 67—73; Dickinson in A. J. I. L. 21 p. 108—111. 22 p. 575—583; Ripert, Rosooe, Sienne, Renard in Rev. internat, du droit maritime 34 p. 1—77, 471—493. Bij ons v. Slooten in W. P. N. R. 2746—2748 en in R. D. I. L. 1926 p. 453—484 (over het verdrag van 1926); W. 10788 p. 4. — Ygl. nog de beslissingen, vermeld in B. I. I. 20 p. 325 no. 6016 en in de R. D. M. C. 17 p. 340. Zie ook B. 1.1. 25 p. 171—185; Ree. Ac. 1923 I p. 525 vv. en vgl. Hof Brussel 27 Juni 1921, te vermelden bij Inl. p. 747 no. 33 i. f.

P. 741 no. 19. — Bij Juridiction no. 79 vgl. Hoogger. Hof Polen Okt. 1925 Z. f. O. 1 p. 272, R. D. I. Pr. 21 p. 562.

P. 742 al. 1 i. f. — Toevoeging: Zie Léon-v. Praag no. 3c op art. 13 a A. B. Verder de briefwisseling van 22 Mei 1928 tusschen den Voorzitter van het Permanente Hof van Internationale Justitie en den Nederlandschen Min. v. Buit. Zaken, B. 1.1.19 p. 329 vv.

P. 743 no. 24 i. f. — Toevoeging: Zie Léon-v. Praag no 3rfop art. 13 a A. B. — Het in Juridiction no. 86 bedoelde geval eener uitzondering, die het volkenrecht niet zelf maakt, maar

Sluiten