Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SUPPLEMENT

op de

Inleiding tot de wet op de Kechterlijke Organisatie.

AANVULLINGEN

loopende tot 1 Juni 1980.

Bij

Inl. p. 5, Suppl. p. 6 reg. 8 v. b. — Na „Zie" in te voegen: Hof Amsterdam 9 Jan. 1930 W. 12110 (bestuurshandeling);

Inl. p. 12, Suppl. p. 13 reg. 7 v. b. — Na „ook" in te voegen: Rb. Utrecht 11 Jan. 1928 W. 11857 en

Inl. p. 12, Suppl. p. 13 reg. 13 v. b. —Toevoeging eener nieuwe alinea: Rb. Maastricht 28 Nov. 1929 W. 12099, N. J. 1930 p. 593, was van meening dat, ingeval een eischer zich anders geen recht kan verschaffen, analogische toepassing eener buitenlandsche competentiebepaling noodig kan zijn op deze wijze dat bevoegd wordt de Nederlandse!)e rechter, die in rang overeenkomt met den vreemden rechter, wiens wettelijke regeling der materieele rechtsverhouding moet worden toegepast. Deze overweging betrof een vordering tot valorisatie eener door Duitsch recht beheerschte geldschuld, dus een geding over schuldvordering, waarvoor de Rechtbank competent was. Ware de vordering ontvankelijk geoordeeld, dan zou de Rechtbank zich voor de valorisatie bevoegd hebben geacht op grond van analogische toepassing der competentiebepaling in het Duitsche Aufwertungsgesetz. Maar al had dan de Rechtbank die Duitsche wet moeten toepassen op de geldschuld, volgens de Rechtbank was in deze zaak geen autoriteit in Duitschland voor de valo-

Sluiten