Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 6.

D. De rechterlijke macht bakent eigen terrein af.

§ 1. Raar oordeel over eigen competentie.

P. 7 reg. 5—4 y. o. — Hauriou, lle dr. (1927) p. 946—953.

P. 7 reg. 4—3 v. o. — Duguit, 2e dr. III (1923) p. 54—58. Vgl. over negatieve competentieconflicten tribunal des conflits 11 Juli 1927 Revue du droit public 1928 p. 318—323;

P. 8 reg. 2—6 v. b. —O. Mayer, 3e dr. I p. 177—182. — Pleiner, 8e dr. (1928) p. 23—28 (litteratuur op p. 23—24 noot 42). — Hatschek, 5e—6e dr. (Lehrbuch) p. 17—24.

P. 8 reg. 7 v. b. — Na „84" in te voegen: W. Jellinek, Verwaltungsrecht, le dr. (1928) p. 54—56 en denzelfde in de bij Inl. R. O. p. 151 vermelde Veröffentlichungen, Heft 5 p. 213— 214 v. b. — Voor Oostenrijk vgl. Satter en Kelsen in Zeitschr. für öffentl. Recht 7 p. 545—599, speciaal p. 545—557, 562, 568, 583—589.

P. 8 reg. 11 v. o. — Na „1821" in te voegen: Vgl. R. Kranenburg, Het Ned. Staatsrecht 3e dr. II (1930) p. 90—91 en in anderen zin J. Kosters, Les fondements du droit des gens (1925) p. 271—272.

P. 9 § 2. Beoordeeling der competentie van scheidslieden.

P. 9 reg. 9 v. o. — Na „p. 4" in te voegen: Vgl. nog Hof 's-Gravenhage 7 Maart 1924 W. 11459; Rb. Amsterdam 16 Dec. 1927 W. 11961, N. J. 1928 p. 1314; Rb. Groningen 4 Mei 1928 W. 11889, N. J. 1929 p. 681; Rb. Middelburg 5 Maart 1923 W. 11183. — Onjuist is m. i. de stelling dat het onderzoek naar eigen bevoegdheid door hen, wier uitspraak als scheidsrechters wordt ingeroepen, ook slechts door hen als scheidsrechters zou kunnen geschieden: het geschiedt omdat de uitspraak van hen als scheidsrechters wordt ingeroepen, maar eerst de uitslag van dat onderzoek beslist over de vraag of zij als scheidsrechters zullen fungeeren. — Voor gelijke kwestie ten aanzien der volkenrechtelijke arbitrage o. a. Verdross in R. D. I. L. 1928 p. 225—242 en in Zeitschr. f. öffentl. Recht 7

Sluiten